dinsdag 31 juli 2012

Klaus Doldinger, componist en jazzsaxofonist

Jazzsaxofonist Klaus Doldinger is bij het grote publiek vooral bekend als de man die in 1981 de filmmuziek voor de succesvolle film Das Boot schreef. Ook schreef hij het openingsthema voor de televisieseries Tatort en Liebling Kreuzberg en in 1984 de film The NeverEnding Story. Dat zijn voor een beroepsmusicus mooie opstekers, wanneer je getrouwd bent en een gezin met drie kinderen moet onderhouden. Maar tussentijds leeft Doldinger van en voor de jazz. Hij geldt in Duitsland als een van de groten in dit genre.


Doldinger werd in 1936 in Berlijn geboren. Tussen 1940 en 1945 woonde het gezin Doldinger in Wenen, later verhuisde het naar Düsseldorf. Van een duidelijke hang naar muziek was in het gezin Doldinger geen sprake. Tot 1945 waren Oostenrijk en Duitsland goeddeels afgesloten voor jazz. De nadruk lag op puur arische voortbrengselen zoals operettes en marsen. Wel zagen de ouders dat de jonge Klaus muzikale interesse had en kreeg hij daarom negenjarige leeftijd pianoles. Hoewel zijn pianospel in den beginne ronduit klungelig was, kreeg hij toch les omdat de school muziekleraren opleidde en men daarom leerlingen nodig had. In 1947 werd hij toegelaten tot het conservatorium in Düsseldorf en deed er tien jaar over om af te studeren, eerst piano later klarinet. Tijdens die studiejaren deed Doldinger de nodige professionele ervaring op. In 1953 begon hij bij een dixielandband The Feetwarmers, met wie hij in 1955 zijn eerste opnamen maakte. In datzelfde jaar richtte hij Oscar's Trio op, naar het voorbeeld van Oscar Peterson. In de zestiger jaren werkte hij als tenorsaxofonist, vooral met Amerikaanse gastsolisten, en maakte hij ook opnamen onder eigen naam.

In 1971 richtte hij Klaus Doldinger´s Passport op, een band waarmee hij nu nog optreedt, zij het onder de naam Passport. Ook nu nog treedt deze band met veel succes in Duitsland op. De stijl van deze formatie laat zich het best omschrijven als cross-over. Het hoofdingrediënt blijft jazz, maar er is ook een even nadrukkelijke als geïntegreerde inbreng van elementen uit de rock en uit de wereldmuziek. Het Amerikaanse jazztijdschrift Down Beat sprak van het Europese antwoord op van Weather Report. Passport wisselde in de loop der jaren nogal eens van samenstelling. Zo maakten Peter O’Mara -gitaar, Roberto DiGioia -keyboards, Patrick Scales -bas, sinds 1994, Ernst Stroer percussie sinds 1989, Christian Lettner -drums, sinds 2000), Michael Hornek -keyboard sinds 2009, Biboul Darouiche -percussie, sinds 1995 deel uit van Passport. Gastsolisten waren onder meer toetsenist Brian Auger, tenorsaxofonisten Johnny Griffin en David Fathead Newman, drummer Pete York, Randy Brecker en onze eigen Nippy Noya. 

Voor Doldinger begon de jazz, toen de zeepbel van het nazisme knapte, en de Amerikanen kwamen. Die eerste ontmoeting was in eind mei, begin juni 1945 in Schrobenhausen, een stadje in Oberbayern. Meteen nadat de Amerikanen dit stadje hadden bezet, beleefde Doldinger zijn eerste ervaring met jazz, toen een combo van de Amerikanen in de leegstaande zaal van een hotel oefende. Dat klonk anders dan de marsmuziek, zoals de jonge Klaus die tot dan gewend was. Het was voor hem een volledig vreemdsoortige muziek, die hij nog nooit eerder had gehoord. Maar het waren ook de ontspannen houding, de manier van spreken en met elkaar omgaan die voor Klaus nieuw waren. Zijn opvoeding had hem gedrild in Hitlergroet en hakkenklak. De radiomuziek tijdens het Derde Rijk was ambtelijk, d.w.z. ideologisch, goedgekeurd. Pas na de oorlog leerde Doldinger via de Engelse zender BFN en de Amerikaanse zender AFN uit München de jazz beter kennen, via de band van Max Greger die Night Train en andere jazzstandards speelde. Maar ook ontmoetingen met gelijkgestemden waren belangrijk bij de interesse voor jazz die zich ontwikkelde. Die liefhebbers kwamen samen in een club in Düsseldorf. Sommigen, vaak van de oudere generatie, wisten veel over Bix Beiderbecke of Louis Armstrongs Hot Five. Een andere stimulans kwam van het gymnasium in Düsseldorf dat hij bezocht. Dit gymnasium was op Amerika gericht; er was een zusterschool in Philadelphia en deze wisselde leraren uit. Doldinger droomde er van om als uitwisselingsscholier naar de Verenigde Staten te gaan, maar daarvoor hij moest tot 1960 wachten. Toen maakte hij de eerste Amerikaanse tournee van The Feetwarmers mee, de amateur dixielandband waar hij bij speelde. De hooggespannen verwachtingen die hij van de Amerikaanse samenleving had, verkeerden in een diepe teleurstelling. De strikte rassenscheiding, de desinteresse van het publiek voor artiesten die Doldinger als held en voorbeeld zag, dat alles stond haaks op de verwachtingen van de jonge musicus.

Op het conservatorium van Düsseldorf waar Doldinger studeerde, was jazz simpelweg verboden. De enige studenten die af en toe iets van boogie woogie speelden, waren degenen die kerkmuziek studeerden. De jonge Doldinger speelde piano in het nachtleven van Düsseldorf, iets wat hem op het gymnasium en later op het conservatorium niet in dank werd afgenomen. Düsseldorf was een stad vol kunstenaars, en die interesseerden zich voor jazz. Onder andere speelde Doldinger in een Hongaars restaurant Csikos, waar ook musici uit de Balkan speelden. Dit etablissement komt trouwens ook in “Der Blechtrommel“ van Günter Grass voor. Grass speelde af en toe mee als wasbordspeler. Het restaurant was vier etages hoog, compleet met steile wenteltrap, maar was toch eerder smal dan breed te noemen. De eigenaar, Otto Schuster, haalde het toen bekende dixielandcombo van Fatty George uit Wien op.

Later wisselde Doldinger van klarinet naar tenorsaxofoon, omdat hij vond en vindt dat de klank van de sax het dichtst bij de menselijke stem komt. Hij speelde graag klarinet. Benny Goodman was een van zijn grote voorbeelden. Klarinettist Tony Scott en andere moderne musici mogen op zijn voorkeur rekenen. De klarinet is een van zijn favoriete instrumenten gebleven, maar dan toch meer in een klassieke setting. De tenorsaxofoon vindt hij vrijer en uitgebreider in het scala aan uitdrukkingsmogelijkheden. Voorbeeld in vroegere jaren was Lester Young, later werd ook King Curtis een van de favorieten van Doldinger en konden John Coltrane en Sonny Rollins op zijn interesse rekenen.

Daarnaast rinkelde de kassa, toen hij reclamemuziek voor Persil en Fa componeerde. Inmiddels heeft Doldinger tweeduizend composities op zijn naam staan en zijn er van al zijn platen in totaal meer dan twee miljoen verkocht. Dat zijn voorlopige cijfers, want op 76-jarige leeftijd denkt Doldinger er niet aan om zijn Passport op te heffen en op zijn lauweren te gaan rusten.

Bijdrage: C.P. Vincentius




zondag 22 juli 2012

What about Jan Savitt


Jan Savitt and His Tophatters met That ‘s A Plenty, dat is mijn kennismaking met de muziek van bandleider Jan Savitt, ergens op een verzamelaar. Arrangement: Johnny Watson opgenomen op 22 juli 1938 voor Bluebird Records. Zeker niet de slechtste kennismaking met Savitt, zoals later bleek. Wat Savitt aan opnamen heeft nagelaten heeft niet allemaal een even hoog jazzgehalte. Een dixielandnummer in bigbandstijl uitwerken; Bob Crosby’s formatie gaf eind jaren dertig, begin jaren veertig wat betreft de toon aan. De aanpak van Jan Savitt van That’s A Plenty viel mij vooral op door het fijnzinnige, mooi uitgewerkte arrangement. Wie was deze Jan Savitt? Hij werd op 4 juli 1908 of 4 september 1907 in als Jacob Savetnick in Shumsk, Rusland geboren. Hij overleed op 4 oktober 1948 in Sacramento, California. In de spanne tijds die hem gegeven was, leidde hij een band, arrangeerde en was violist. Met de viool begon zijn muzikale loopbaan. Savitt was een musicus met de nodige ambitie en talent. In zijn jeugd werd zijn muzikaal talent gestimuleerd door zijn ouders. Vader Sarvetnick/Savitt was ooit drummer in de regimentsband van Tsaar Nicholaas II. Toen Jan Savitt vijf jaar werd kreeg hij van zijn vader een viool. Hij nam lessen en speelde bij The Civic Symphony Club Orchestra in Philadelphia tijdens zijn highschoolperiode. In 1919 veranderde de familienaam officieel van Sarvetnick in Savitt. 

Toen Savitt net negentien jaar was, werd hij uitgenodigd om tot het Philadelphia Orchestra toe te treden, nadat hij aan het Curtis Institute of Music en in Europa had gestudeerd. Onder de leiding van dirigent Leopold Stokowski werd Savitt concertmeester. Die samenwerking leverde hem later – toen hij al langer zijn eigen orkest leidde - het etiket ‘The Stokowski of Swing’ op. In 1932 richtte hij Savitt String Quartet op en oogstte daarmee het nodige succes, tot de plaatselijke omroep WCAU hem in 1934 vroeg om de leiding van het omroeporkest op zich te nemen. Het was een ongewone stap voor Savitt. Hij stond – amper twintig - aan het begin van een ongetwijfelde mooie loopbaan als klassiek violist, toen hij de overstap richting dans –en swingmuziek maakte. Hij was niet alleen een goede musicus, maar minstens zo goed in het organiseren van een bigband, d.w.z. het aantrekken van goede musici, goede vocalisten en goede arrangeurs. Het resulteerde in formaties die uiteenlopende stijlen speelden. Waarschijnlijk is het ontbreken van één uitgesproken stijl de reden dat Savitt minder bekend is geworden dan de andere swing –en dansorkesten uit dezelfde periode.  Het omroeporkest vormde Savitt al gauw om tot zijn eigen formatie. Zijn band, The Top Hatters formeerde hij in 1937. Deze bleek een succes en het jaar daarop toerde hij door de Verenigde Staten. In hun repertoire vielen "720 in the Books", "It's A Wonderful World" en "Quaker City Jazz" en "From Out Of Space" op. Savitt was een der eerste blanke bigbandleiders die een gekleurde zanger voor zijn orkest zette, in dit geval, George Tunnell ("Bon Bon"). Andere vocalisten waren Carlotta Dale, Allan DeWitt, Joe Martin en Gloria DeHaven. Hij leidde zijn band onder verschillende namen, zoals Jan Savitt & His Top Hatters, The Jan Savitt String Orchestra en Jan Savitt & His Orchestra.

Veel mensen associëren Savitt met het z.g. shuffle rhythm, kort samengevat: de linkerhandpartij van de piano werd tweemaal zo snel gespeeld als het voorgeschreven tempo van het nummer. Arrangeur Johny Watson introduceerde dit ritme bij het orkest. Hoewel dit ritme kenmerkend is voor een aantal nummers, zijn het vooral de geraffineerde arrangementen, die de kwaliteit van het repertoire bepalen. In Quacker City of Jazz, de herkenningstune van de band, b.v. doet het arrangement eerder aan Stan Kenton begin vijftiger jaren dan aan een swing –annex dansorkest eind dertiger jaren denken. Savitt had een goede neus voor musici met kwaliteiten. Hij vestigde zijn naam eerst in Philadelphia en bouwde zijn reputatie in den lande gestaag uit. Nadat hij in Philadelphia in 1936 van radiostation WCAU naar radiostation KYW had gewisseld, begon hij met een nieuw programma ‘Music for Moderns’. In 1937 maakte Savitt zijn eerste acht plaatopnamen voor Variety Records. Nog belangrijker was in 1937 het inhuren van George Tunnell, "Bon Bon, de eerste zwarte zanger die bij een blanke bigband zong. Tunnell, een ervaren entertainer, had eerder zijn sporen verdiend bij het trio The Three Buddies. In de periode 1932-1933 maakte dit trio zestien plaatopnamen, toerde door de States en trad zelfs op in het London Paladium. Tunnell blonk bij Savitt uit in zowel medium tempo songs, als in ballads en in scat. Hij zou tot 1940 bij Savitt blijven. In november 1937 tekende Savitt een contract bij Bluebird Records. In de daarop volgende twaalf maanden maakte zijn band tweeënveertig plaatopnamen, waaronder Futuristic Shuffle en populaire nummers zoals You Go to My Head.

Van 27 augustus tot 9 september 1938 werd de band geboekt voor een cruise in het Caraïbisch gebied op de S.S. Volendam. Aansluitend zong George Tunnel (Bon Bon) Vol Vistu Gaily Star en It's a Wonderful World de hitlijsten binnen. Vooral Vol Vistu Gaily Star is een excellente swinger met een prachtige scatsolo van Tunnell. De band speelde veel meer dan alleen nummers met het shuffle ritme. In de periode  1939-40 scoorde The Jan Savitt Orchestra met een paar hits, waarvan 720 in the Books, van de hand van arrangeur Johny Watson, de grootste was. Het platencontract met Decca was nieuw. De manager kwam van Count Basie, net als de twee nieuwe arrangeurs Billy Moore en Eddie Durham. Durham arrangeerde onder meer Blues in the Groove van 2 februari 1940 en Tuxedo Junction van 12 april 1940 (een up-tempo versie, die de versies van Erskine Hawkins en Glenn Miller naar de kroon steekt). Billy Moore tekende voor het arrangement van Meadowbrook Shuffle van 3 januari 1941. Tot het team van arrangeurs behoorde ook saxofonist Johnny Warrington. 

Eind 1940 veranderde de band opnieuw van platenlabel en tekende bij RCA Victor. Begin 1941 nam de band in een oude kerk in Camden, New Jersey, een aantal klassieke stukken in populaire bewerking op, zoals Prelude to Carmen, The Sorcerer's Apprentice, In the Hall of the Mountain King, en La Cinquantaine, elk gearrangeerd door Jack Pleis. Daarnaast nam Savitt een aantal korte stukken op voor de National Broadcasting System's 'Thesaurus' series. Deze korte opnamen werden door radio stations als 'fillers' gebruikt, voorafgaande aan hun radioprogramma’s, welke altijd precies op het hele of het halve uur dienden te beginnen. Op Disc 1143 in de Thesaurus catalogus staan vier  nummers van The Jan Savitt Orchestra op een kant van de 33 1/3 plaat: "The Masquarade is Over I'm Afraid"; "If I Didn't Care"; "Ring Dem Bells", and "Romance Runs in the Family".

Intussen werd duidelijk dat Savitt gezondheidsproblemen had. Zowel hijzelf als zijn broer, die in deze periode manager van de band was, hadden problemen met een veel te hoge bloeddruk. Savitt ging desondanks door. In juli 1942 breidde hij zijn band uit met een strijkerssectie van zes man, leider incluis. Bovendien nam het aantal vocale nummers toe. Die formatie trad in april 1943 in New York aan, met onder andere zangeres Ethel Waters. Ook toerde Savitt in 1943 en in 1945 met de toen nog heel jonge Frank Sinatra. In 1948 stierf Savitt terwijl zijn band zonder hem optrad in het Memorial Auditorium in Sacremento, California. Frank Sinatra was een van de zes dragers van de kist bij de begrafenis van Jan Savitt.




Bijdrage: C.P.Vincentius

vrijdag 20 juli 2012

Solar compositie van Miles Davis of...


Het staat fantastisch mooi op zijn grafsteen: Sir Miles Davis met daaronder enige maten van de compositie ‘Solar’. Ik zeg met nadruk
‘de’ compositie en niet ‘zijn’ compositie. Want de compositie ‘Solar’ die op de grafsteen van Miles Davis staat, is niet van de hand van ’s werelds beroemdste trompettist. Toen medewerkers van het Library of Congress in 2011 de muzikale erfenis van gitarist Chuck Wayne inventariseerden, stuitten zij tussen arrangementen, composities, brieven, foto’s e.d. op een kleine schellakplaat uit 1946, die nooit officieel is uitgebracht. Deze bevatte de compositie ‘Sonny’, een van de vele nummers uit die periode die een harmonische afgeleide zijn van het toen populaire ‘How High the Moon.’ Chuck Wayne noemde zijn compositie naar Sonny Berman, de trompettist die aan dezelfde opnamesessie in Oklahoma City deelnam.



















Chuck Wayne en Sonny Berman maakte van mei tot december 1946 deel uit van de Woody Herman’s First Herd. De compositie ‘Sonny’ komt bijna in alle opzichten overeen met ‘Solar’, een nummer dat jaren later op de Prestige lp ‘Walkin’ van Miles Davis opdook. Indertijd vergat Wayne het copyright te registeren. Dat gebeurde zeventien jaar later in op 8 augustus 1963 door de Prestige Music Co., Inc. Als componist werd toen Miles Davis opgevoerd. Chuck Wayne vertelde jarenlang, aan wie het maar wilde horen, zijn nummer was ingepikt. Zelfs in zijn bio in The New Grove Dictionary of Jazz wordt over Wayne vermeld: ‘Hij trad op en maakte opnamen met Woody Herman’s First Herd (mei-december 1946),
En gedurende die tijd componeerde hij ‘Sonny’, die later door Miles Davis is toegeëigend en geclaimd als diens eigen compositie onder een nieuwe titel ‘Solar’.
Het hele verhaal heeft al jaren in jazzkringen gecirculeerd, maar slechts weinigen hebben het nummer Sonny in de uitvoering van Chuck Wayne gehoord.
Chuck Wayne, ofwel Charles Jagelka geboren 1923, gestorven 1997 was een gitarist en leraar, die stilistisch de swingperiode en de toen moderne bebop van het midden van de jaren veertig overbrugde. Wayne werkte in diverse clubs aan de 52nd Street en nam deel aan opnamesessies met
Coleman Hawkins, Lester Young, Dizzy Gillespie, Barney Bigard en vele anderen. Hij was lid van de Woody Herman Herd en speelde bij het George Shearing’s Quintet van 1949 tot 1952. Ook toerde Chuck Wayne in de vijftiger jaren met Tony Bennett. Uiteindelijk werd Wayne studiomuzikant bij CBS Televisie van 1959 tot 1971. Later gaf hij les aan het Westchester Conservatory of Music en schreef hij vier theorieboeken voor jazzgitaristen. 

En Miles Davis? Moge hij rusten in vrede!

Bijdrage: C.P. Vincentius

zaterdag 14 juli 2012

CD: Træben - Push

10 eigen composities staan er op de cd Push van het jazzkwartet Træben, de meeste zijn van de hand van gitarist Jens Larsen, 'Nothing or nothing at all' is geschreven door saxofonist Søren Ballegaard. Het kwartet bestaat verder uit bassist Olaf Meijer en drummer Haye Jellema. Waar Pat Metheny recent met zijn kwartet in vergelijkbare samenstelling voortborduurt op zijn vertrouwde repertoire grijpt Træben, op een enkele uitzondering na, terug naar de jaren '50-'60. En dat doen ze goed, zonder gebruik te maken van standards maar gewoon met eigen nummers, waarvan enkele zo tot standard kunnen uitgroeien.


Gitaar en saxofoon worden begeleidt door een strakke prettige ritmesectie en de nummers lenen zich uitstekend voor live uitvoeringen met ruimte voor improvisatie.

Push is het tweede album van Træben, het eerste met drummer Jellema. Als het kwartet zich het komende jaar live kan uitleven op de nummers van dit album is nu al de moeite waard om uit te kijken naar het derde album.


JazzContrasten tracktip: Nothing or nothing at all.


Kijk voor meer informatie over Træben op http://www.traeben.com/

donderdag 12 juli 2012

Rob Pronk 1928 - 2012


Rob Pronk en jazz; een arrangement voor het leven

De totale lijst van arrangementen die Rob Pronk heeft afgeleverd, eer hij op 6 juli 2012 in een ziekenhuis in München overleed, is veel te lang om te vermelden. Alleen al voor het ons eigen Nederlandse Metropole Orkest schreef Pronk meer dan 1200 arrangementen. Het talent Rob Pronk was te groot voor Nederland. Hij speelde trompet bij Kurt Edelhagen, schreef arrangementen voor opnamen met Rob McConnell, Pepper Adams, Hank Jones, Bill Perkins, Benny Carter, Buddy DeFranco, Toots Thielemans, Clark Terry, Lee Konitz, Lew Tabackin, Claudio Roditi en speelde piano bij onder meer Dexter Gordon, Don Byas, Johnny Griffin, Conte Candoli, Frank Rosolino en Zoot Sims. Sinds hij zijn studie economie in 1949 afbrak,was hij een professioneel musicus. In het gezin Pronk, waar Rob op 3 januari 1928 in Malang(voormalig Oost-Indië) werd geboren, lag de muzikale voorkeur eerder bij Charlie Kunz en Victor Sylvester dan bij de jazz. Echter, toen Rob op zesjarige leeftijd Duke Ellington's ‘Mood Indigo’ op de radio hoorde, was hij meteen verkocht. De muzikale interesse in het gezin lag eerder bij moeder dan bij vader Pronk. Moeder zong en speelde af en toe piano. Vanaf zijn achtste levensjaar kreeg Rob pianoles, maar na een half jaar werden die afgebroken, omdat het gezin Pronk constant verhuisde. Een gelukstreffer voor Pronk was de ontmoeting met Jerry van Rooyen in 1946. Van Rooyen bracht een bigband naar Indonesië om de Nederlandse troepen enig amusement te verschaffen.

Later leerde van Rooyen de jonge Pronk de grondbeginselen van arrangeren. In 1947, Rob was toen negentien jaar, verhuisde Rob met zijn broer Ruud naar Nederland. Hij studeerde economie en haalde een graad. In deze periode twijfelde hij; loopbaan in de economie, of loopbaan in de muziek. Het werd het laatste en Pronk schreef zich in bij het Koninklijk Conservatorium in Den Haag, waar hij de vakken muziektheorie, piano en trompet koos. Zijn eerste optreden was op een schip tijdens een internationaal uitwisselingsprogramma voor studenten. Hij begon achter de drums en verwisselde die al snel voor de piano. Zijn idolen in die periode waren Duke Ellington, Benny Goodman, Artie Shaw en Teddy Wilson. Op een van die uitwisselingsreisjes was Pronk enige dagen in New York en bezocht Bop City waar hij het Buddy De Franco Sextet hoorde met Jimmy Raney, Kenny Drew, Teddy Kotick en Art Taylor. Ook kreeg hij de gelegenheid om optredens van Louis Armstrong's All Stars en Louis Jordan's Tympany Five bij te wonen. In de tweede helft van de vijftiger jaren trad Pronk toe tot de trompetsectie van de Kurt Edelhagen bigband in Keulen. Al snel was hij eerste arrangeur voor deze band.In de jaren zestig draaide Pronk een week mee in de trompetsectie van The Ramblers toen een collega hem de suggestie aan de hand deed om voor het Metropole Orkest te gaan arrangeren. Die uitdaging nam Pronk aan en gaf hem zodanig gestalte dat hij uiteindelijk in totaal meer dan 1200 arrangementen aan de catalogus van het Metropole Orkest toevoegde.

Naar zijn mening was het Metropole Orkest een uniek gezelschap en niet zomaar een bigband waar een sectie met strijkers aan was toegevoegd. Het geheel vond hij volledig geïntegreerd en dat maakte de uitdaging om er voor te schrijven des te complexer. Naast de onschatbare waarde van de hulp die hij van Jerry van Rooyen bij het arrangeren kreeg, leerde Pronk veel met vallen en opstaan.

Billy May stond voorop in het rijtje van de arrangeurs waarvoor hij bewondering had, gevolgd door Bill Holman, Al Cohn, Quincy Jones en Gil Evans. Een speciale herinnering  die hij koesterde, was de productie en het arrangeren voor een plaat met Marlene Dietrich, "Die Neue Marlene", opgenomen in de EMI Studios in St John's Wood in September 1964. Pronk dirigeerde een orkest van veertig man, waaronder Kenny Baker, Harry Roche, Bobby Orr, Kenny Clare, Ivor Mairants en mondharmonicaspeler Larry Adler. Andere opnamesessies welke bij Pronk een speciaal plekje hadden, waren drie opnames in Stockholm:
Een in 1953 voor het Carousellabel, waarop hij piano speelde, samen  Zoot Sims, Bob Burgess, Frank Rosolino, Ake Persson, Stan Levy and Don Bagley; een in 1983 voor het the Sonet label, "In Goodmans Land", met de vocalisten Georgie Fame, Sylvia Vrethammar en een studio bigband, plus nog een opnamesessie voor Sonet in 1988 met de titel "String Along With Basie", waarvoor Pronk arrangementen van Count Basie herschreef voor vier gitaristen, t.w.Rune Gustafsson, George Wadenius, Bob Sylven en Bobbo Andersson, aangevuld met bas en drums.
Naast zijn arrangementen voor het Metropole Orkest en diverse opnamesessies, was Pronk vele jaren leraar arrangement en compositie
bij het Rotterdam Conservatory. Hij won de Nordring Radio Prize in 1981 en de Blaupunkt Music Award in 1988. Collega-arrangeur Johnny Mandel  zei over Pronk: ‘Hij weeft sferen op een bijzondere manier; niet alleen roept hij stemmingen en klankkleuren op, maar het geheel swingt ook nog fantastisch.’

Voor Pronk was een van de grootste momenten in zijn leven als arrangeur toen hij juni 1991 in Los Angeles een orkest dirigeerde dat een aantal van zijn arrangementen voor het Metropole Orkest speelde, met als gastsolisten Dianne Schuur, Buddy de Franco, Art Farmer, Chuck Findley, Gary Foster and Carl Fontana. Tijdens de repetities kwam Pete Rugolo, een van de bekendste West coast arrangeurs naar hem toe en vroeg Pronk of hij de arrangementen mocht zien. Hij was vooral geïnteresseerd hoe Pronk de sectie met strijkers arrangeerde.

Met Rob Pronk verliest de Nederlandse jazz een groot talent,die kon inspireren en enthousiasmeren.

Bijdrage: C.P. Vincentius

dinsdag 3 juli 2012

Nieuw releases MoonJune Records

Allan Holdsworth - Hard Hat Area (originally released in 1993)
Allan Holdsworth - None Too Soon (originally released in 1996)
Tohpati Bertiga - Riot
Machine Mass Trio - As Real as Thinking

























Lees de recensie van de eerste drie op All About Jazz: MoonJune Records Announces Three New Releases