zondag 29 september 2013

Southern Syncopated Orchestra, pioniers van de jazz in Engeland [LONGREAD]


Het culturele leven in Londen heeft altijd een cosmopolitische inslag gehad. De functie van hoofdstad, niet alleen van Groot-Brittanië, maar zeker ook van het complete Britse wereldimperium heeft daar in het verleden en tot in het heden toe aan bijgedragen. De geschiedenis van jazz is vaak gefocused op Amerika en op New Orleans, maar in 1919 - in hetzelfde jaar dat in Amerika de eerste jazzopname uitkwam- veroverde het Southern Syncopated Orchestra Londen en kort daarop Groot-Brittanië. In maart 1919 organiseerde de Engelse theateragent André Charlot optredens voor het Southern Syncopated Orchestra in Londen. Het orkest was gecontracteerd voor twee optredens van twee uur elk dag in de Philharmonic Hall, Great Portland Street, Londen van 4 juli tot 6 december 1919. Het orkest werd deel van het Londense uitgangsleven, hoewel ze in het begin niet populair waren. Het publiek bestond vaak niet meer dan twintig bezoekers. Die populariteit veranderde met de uitnodiging van de Prince of Wales -ofwel de toekomstige koning Edward VIII -op Buckingham Palace en met een toernee door Engeland. De optredens werden aangekondigd als concerten, omdat in de eerste jaren na de oorlog entertainment à la het Southern Syncopated Orchestra discutabel werden geacht. Het aankondigen als concerten had ook het grote voordeel dat men op zondagen mocht spelen. Het orkest gaf dan ook veel concerten in de populaire badplaatsen aan de zuidkust en oostkust  van Engeland. Achteraf mag gesteld worden dat het Southern Syncopated Orchestra in de korte periode van zijn bestaan een wezenlijke invloed op het Londense uitgaansleven had en dat het orkest zwarte muziek populair maakte.

Oprichter en muzikale leider van het Southern Syncopated Orchestra  was de Afro-Amerikaanse componist en violist Will Marion Cook. Deze William Mercer Cook, beter bekend als Will Marion Cook, werd op 27 januari 1869 geboren en overleed op 19 juli 1944. Cook was een student van Antonín Dvořák, toen deze Tsjechische componist een tijdlang in de Verenigde Staten woonde en er onder andere de Symfonie 'From the New World', een Cello Concert en zijn 'American' String Quartet in F, opus 93 schreef. Miljonaire en theaterimpresario Jeannette Thurber haalde Dvorak naar Amerika om les te geven aan haar conservatorium, een conservatorium dat in de tweede helft van de negentiende eeuw zijn tijd ver vooruit was. Vrouwelijke en zwarte studenten werden toegelaten, waaronder Wil Marion Cook en Henry Thacker Burleigh. De laatste maakte Dvorak vertrouwd met spirituals. Voor de vijftigjarige Dvorak was het een lucratieve overeenkomst. Hij verdiende 15.000 dollar per jaar en dat was vijfentwintig keer zoveel als hij in Praag mocht incasseren. Hij moest zes concerten per jaar geven en was daarnaast drie uur per dag, zes dagen per week muzikaal leider van het conservatorium. Dvorak gaf les aan de meest getalenteerde studenten in compositie en in instrumentatie en bereidde uitvoeringen van de studenten voor. Voor Will Marion Cook was de conservatoriumstudie een degelijke basis, al ging zijn interesse niet uit naar een loopbaan in de klassieke muziek. Eer Will Marion Cook met het Southern Syncopated Orchestra door Europa toerde, had hij al een mooie muzikale loopbaan achter de rug. Het avontuur met het Southern Syncopated Orchestra, dat desastreus zou eindigen, was er slechts een van zijn vele activiteiten. In de geschiedenis van de populaire muziek is Will Marion Cook vooral bekend als schrijver en componist van populaire songs en Broadway musicals, zoals 'Clorindy, of 'The Origin of the Cake Walk' en 'In Dahomey.' 'In Dahomey' werd in 1903 op Broadway opgevoerd en was de eerste musical die geschreven en uitgevoerd werd door zwarte Amerikanen. Sommige van de liederen die Cook schreef, werden gepubliceerd in 'A Collection of Negro Songs' uit 1912. Ook schreef Cook de jazzklassieker I'm coming Virginia, bekend in de versie van Bix Beiderbecke en van Bobby Hackett. Cook was actief als dirigent van koren en orkesten. Hij orgniseerde diverse concerten, zowel in New York als in Washington, D.C. Hij richtte het New York Syncopated Orchestra op, dat in 1918 door de Verenigde Staten toerde en in 1919 de oversteek naar Groot-Brittanië maakte, als het Southern Syncopated Orchestra. In die voorloper van het Southern Syncopated Orchestra speelden ook Sidney Bêchet en cornettist Arthur Briggs mee.Met hem ging ook Cook's vrouw Abbie Mitchell mee, een klassiek geschoolde zangeres met een prachtige stem. Men luistere op youtube naar: Summertime - Abbie Mitchell (1935).

Tijdens zijn loopbaan op Broadway kwam Will Marion Cook ook in contact met de jonge Duke Ellington, die probeerde zijn songs bij de diverse muziekuitgeverijen op Tin Pan Alley te slijten. Dat lukte, al was Ellington zelf over het gehalte niet zo te spreken. Tijdens een lange taxirit door Central Park praatten de twee mannen over muziek. Cook drong er bij Ellington op aan om een klassieke muziekopleiding te gaan volgen, zodat deze meer inzicht in harmonie zou krijgen. Ellington vond dat hij daar geen tijd voor had. 'Ze leren me daar niet, wat ik wil leren,' zei hij. 'Als dat zo is, vertelde Cook hem,' probeer dan eerst de meest logische manier van muziek schrijven onder de knie te krijgen. En zodra je die gevonden hebt, ontwijk hem dan. Geef je innerlijke zelf de kans door te breken en je te leiden en probeer niet iemand anders te zijn dan jezelf.' Het was een raad die Ellington zijn hele leven zou volgen. Hij wist datgene te nemen wat zou kunnen en maakt het waar. Hij begreep wat er voor nodig wat het onzichtbare zichtbaar te maken. Ragtimepianist Eubie Blake had een andere opvatting van Will Marion Cook. 'Cook was een groot musicus, maar hij probeerde dingen bij mensen door de strot te duwen. Ik denk dat hij dat in Europa heeft opgelopen. Hij probeerde Richard Wagner na te apen.'

Het Southern Syncopated Orchestra was samengesteld uit 27 musici en 19 zangers. De musici kwamen onder meer uit New Orleans, New York, Philadelphia, Guyana, Barbados, Antigua en de Goudkust (het huidige Ghana). Leden waren onder andere trompettist Joe Smith uit Jamaïca, fluitist Bertin Depestre Salnave uit Haïti en Cyril en George Blake uit Trinidad, pianist Mope Desmond ofwel Caleb Quaye uit Ghana en drummer Pete Robinson uit New York.  Er waren tenminste drie vrouwelijke orkestleden, Evelyn Mary Luke en de zusters Angelina De Caillaux en Santos “Santita” Rivera.
Niet alleen in Londen of in Groot-Brittanië, maar in heel Europa lieten optredens van het orkest een diepe indruk achter. In het Londense uitgaansmilieu was het orkest een openbaring met zijn nieuwe stijl van gesyncopeerde muziek en de bijzondere talenten die de formatie had. De Daily Herald maakte op 4 augustus 1919 gewag van "Real Ragtimes By Real Darkies". De enige overgebleven foto's van het gehele ensemble, die in 1919 bij de Brighton Dome zijn genomen, tonen een groep van goed verzorgde en zelfverzekerde musici. Veel van de bandleden, waaronder drummer Pete Robinson, pianist Mope Desmond en zanger Frank Bates vestigden zich al snel in het Zuiden van Londen. Diverse mannen van de band trouwden met blanke Engelse vrouwen. Resultaat: in 1921 waren er tenminste 16 kinderen van gemengd ras.

De legendarische en virtuoze klarinettist en sopraansaxofonist Sidney Bêchet kwam naar Engeland om de gelederen van het Southern Syncopated Orchestra te versterken op basis van een weekloon van zestig dollar. De aanwezigheid van Bêchet hielp om het Southern Syncopated Orchestra en de jazz op de muzikale landkaart te zetten. Opmerkelijk mag heten dat Sidney Bêchet tijdens zijn verblijf in Londen op de sopraansaxofoon overging. Dat gebeurde toen hij de rechte versie van het instrument in een winkel in Wardour Street, Soho zag liggen. Nadat Bêchet de instrumentmaker had gevraagd om een extra toets aan het instrument toe te voegen, wist hij al gauw het publiek in zijn ban te brengen met zijn nieuwe instrument. De eerste serieuze beschouwing over jazz in Europa werd geschreven door Ernest Ansermet, dirigent van L’Orchestre de la Suisse Romande. De beschouwing, naar aanleiding van het optreden van het Southern Syncopated Orchestra verhaalde onder meer van de virtuoze vertolkingen op klarinet door Bêchet. Naar de mening van Ansermet waren de arrangementen van het Southern Syncopated Orchestra extreem moelijk, maar ook bewonderenswaardig door hun vindingrijkheid, krachtige accenten en durf wat betreft de vernieuwing en het onverwachte. Ansermet vergeleek hun muzikaal niveau zelfs met dat van de concerten van J.S. Bach. Het orkest heeft hedentendage de reputatie van een jazzorkest, maar veel van de muziek die werd gespeeld, was geen jazz zoals die in dezelfde periode in de Verenigde Staten werd gespeeld. Men speelde nummers die eerder aan de roemruchte Tin Pan Alley deden denken en daarnaast spirituals, strak georkestreerde ragtime, muziek die eigenlijk in minstrelshows thuishoorde, werk van W.C. Handy en liederen zoals die op de plantages werden gezongen. Bij het toeren door Europa trad het orkest op 6 mei 1921 op tijdens het  Bal Blanc et Noir at Théâtre des Champs Elysées, Parijs als L'Orchestre als Symphonique Américain, dan wel American Southern Syncopated Orchestra of als Negro Syncopated Orchestra op 9 Jul 21 in het Palais du Trocadero, Parijs. In Wenen 9 mei 1922 in het Vergnügungspark, Kaisergarten als het American Syncopated Orchestra.

Hoewel sommige jazzfanaten bekend zijn met het werk van het Southern Syncopated Orchestra door de vermelding van Sidney Bêchet, zijn er nooit opnamen van de groep ontdekt. Het is zelf onwaarschijnlijk dat ze ooit geluid aan het schellak hebben toevertrouwd. Mede daardoor is hun muzikale erfenis grotendeels verbleekt. Daarvoor zijn ook andere oorzaken aan te wijzen. Op 9 oktober 1921 waren de meeste leden van het Southern Syncopated Orchestra in Glasgow scheep gegaan op de SS Rowan richting Derry, om daar hun succesvolle reeks optredens voort te zetten. De tocht eindigde een regelrechte catastrofe, toen de SS Rowan in dichte mist in botsing kwam met twee andere schepen. Sommige lichamen van verdronken bandleden konden nooit geborgen worden. Zanger Frank Bates was een van bandleden die in de golven verdween. Ook lieten onder meer trombonist John Herbert Greer uit Ierland, banjospeler Charles Henry Macdonald uit Zuid- Afrika en zanger, pianist en organist Frank Lacton uit Sierra Leone het leven. Orkestleden als Cyril Blake en zijn broer George 'Happy' Blake overleefden de scheepsramp, net als de Jamaìcaanse trompettist Joe 'Joseph I.' Smith en de in Sierra Leone geboren trompettist Egbert Emmanuel Thompson. Violist Frank Essien, die van gedeeltelijk Ghanese en Poolse afkomst was en Rupert Gaskin overleefden ook, maar overleden later aan tuberculose, respectievelijk in 1923 en in 1926. Tympanispeler Frank Obediah Kennedy uit Sierra Leone en het Ghanese orkestlid William Martin Ofori werden bij de scheepsramp gewond, maar overleefden. Zangeres Evelyn Mary Luke was ook een overlevende. Zij zou haar theaterloopbaan vervolgen en werd uiteindelijk de plaatsvervangster van Josephine Baker in het Casino de Paris. De tragedie met SS Rowan werd indertijd uitgebreid in de Britse pers gebracht.

Het verhaal van het Southern Syncopated Orchestra en haar bijdrage aan de populaire cultuur is eigenlijk hetzelfde verhaal als de vele individuele verhalen van zwarte Britten, die blijkbaar niet in staat waren om indruk na te laten in de officiële geschiedenis van Groot-Brittanië. Vanaf het Southern Syncopated Orchestra lopen diverse historische lijnen richting moderne tijd. De pianist van het SSO, Mope Desmond, liet bij zijn verscheiden een zoon achter die ook musicus werd en op zijn beurt de vader werd van jazzpianiste Terri Quaye. Verder terugkijkend in dezelfde lijn, Mope Desmond kwam uit Ghana uit een familie van Afrikaanse musici. Hij stierf in 1921 in Engeland bij een spoorwegongeluk. Een van de zangers van het SSO, de uit Barbados afkomstige Frank Bates, trouwde met een Engelse en kreeg twee dochters. Deze meisjes groeide op in het Londen van de twintiger jaren en werden opgevoed door hun blanke grootouders. Hoe hun vader Frank Bates was, werd Florence en Vivien pas duidelijk gemaakt door hun nicht, Juliette Jones, die met een stamboomonderzoek begon en van lieverlee op Frank Bates en het SSO uitkwam. Toen deze nicht eenmaal op onderzoek richting Southern Syncopated Orchestra ging, vond zij in de kwaliteitsbladen van die dagen veel gedegen beschouwingen over het orkest.

Florence Bates, thans Mrs. Kenny, vertelde onlangs dat zij veel meer van zichzelf begrijpt, sinds zij hoorde van het wel en wee van haar vader, Frank Bates. De familie had haar en haar zuster Vivien altijd zorgvuldig onledig gehouden van het wel en wee van haar vader. Mede door de geschiedenis van haar vader heeft zij meer inzicht en affiniteit gekregen voor haar afkomst als zwarte Engelse. Zij meent dat het verhaal van het Southern Syncopated Orchestra een duidelijke les inhoudt, hoe de samenleving de talenten van individuen dient te waarderen, zonder onderscheid naar etnische afkomst. Vrijwel dezelfde inschatting maakt de schrijfster Suzy Kester in haar boek“Under My Own Colours”. Haar grootvader, de Amerikaan Pete Robinson, werd gevonden als drenkeling na de aanvaring van de SS Rowan. Hij werd begraven in een anoniem graf op de begraafplaats van Tooting, Londen. Het leven voor haar grootmoeder was armoedig, mede omdat de rederij van de SS Rowan na de ramp bijna niets compenseerde. De strijd van de grootmoeder tegen vooroordelen met betrekking tot ras en afkomst, was een voorafspiegeling van de vooroordelen die dertig jaar later, in 1948, de eerste Jamaicanen ten deel viel die zich in Groot-Brittanië vestigden. Suzy Kester werd tijdens een luchtaanval van de Luftwaffe in 1940 geboren. Zij is een voorbeeld van de vele zwarte Engelsen die toentertijd in Londen leefden. De families zijn nu actief bezig om de andere nakomelingen van orkestleden van de Southern Syncopated Orchestra te traceren. Deze families bleven in Engeland nadat de het orkest werd opgeheven na de scheepsramp.

Een andere oorzaak van de opheffing lag in de voortslepende ruzie tussen Will Marion Cook en George William Lattimore  over de vraag wie uiteindelijk de eigenaar was van Southern Syncopated Orchestra. Hoe het orkest klonk is moeilijk in te schatten. Weliswaar zijn er in de Verenigde Staten en in Europa in de twintiger jaren orkesten geweest die geheel of gedeeltelijk een gelijksoortig repertoire voerden, maar of vergelijker met het Southern Syncopated Orchestra opgaat, is nog maar de vraag. Waarschijnlijk is de uiterst diverse afkomst van de leden doorslaggevend geweest voor het eigen geluid van het orkest. Ook de muzikale inzichten van Will Marion Cook zullen bepalend zijn geweest voor repertoirekeuze en voor de uitvoeringspraktijk. Of de arrangementen nog bestaan en of een uitvoering ervan door een hedendaags orkest het orgineel benadert, valt nog maar te bezien.

Bijdrage: C.P. Vincentius


vrijdag 13 september 2013

Joe Daniels and His Hotshots


Er is weinig ruimte voor flauwe kul in de wereld van de jazz. De jazz van Joe Daniels and His Hotshots droeg dat etiket. Joe Daniels riep het over zichzelf af. Het showelement was te overheersend, was de mening onder de serieuze jazzfans. Tegen dat argument viel weinig in te brengen. Maar het is ook een onweerlegbaar feit dat Joe Daniels and His Hot Shots in de dertiger jaren zowel in Engeland als in de Verenigde Staten dezelfde populairteit genoten als Nat Gonella. Joe Daniels en de band van Nat Gonella speelden geïmproviseerde jazz in een periode die gedomineerd werd door grotere orkesten die strak gearrangeerde dansmuziek leverden. Gedurende de voorlogse periode en de oorlogstijd werd Joe Daniels in Engeland algemeen als de meest virtuoze drummer gezien. Dat was een overdreven kwalificatie. Hij was een goede drummer met veel show. Zelf noemde hij dat showelement 'Drumnastics'. Het werd een term waarmee zijn drumstijl werd afgedaan. Naar de mening van jazzcritici stond juist dat showelement pure jazz in de weg en werd het spel van zijn medemusici ondergeschikt gemaakt aan het spectaculaire drumwerk van Joe Daniels.

Joe Daniels werd 9 maart 1909 in Zeerust, Transvaal geboren en stierf in Northwood, Middlesex op 2 juli 1993. Zijn levensloop is, op zijn zachtst gezegd, roerig te noemen. Op tweejarige leeftijd verhuisde hij met zijn ouders naar Londen. Op zijn elfde begon hij drums te spelen en in datzelfde jaar speelde hij in Frascati's Restaurant. Hij speelde drums zoals het hem het beste leek en hem het beste uitkwam, niet beïnvloed door andere drummers uit die periode. Hij bleek talent te hebben. In zijn jaren als teenager speelde hij bij de band van Al Kaplan in verschillende clubs in Londen, meestal in Moody's in Tottenham Court Road. Met de band toerde hij langs een circuit van dansgelegenheden. Zijn eerste eigen band speelde in het Glasgow Palais toen hij zestien was en hij was een van de eersten die op passagierschepen tussen Southampton en New York speelden. 

Een groot zakelijk talent had Daniels niet. Tijdens een periode waarin de band optrad in het Belfast Palais viel Daniels een man op die verwoed naar hem zwaaide vanachter een glazen wand. Zodoende kwam Daniels er achter dat de optredens van zijn band regelmatig op de radio te horen waren. De zwaaiende man bleek een technicus die probeerde Daniels duidelijk te maken dat de band een extra halfuur moest spelen. Het werd het begin van een vruchtbare samenwerking van Daniels met de radio. In 1930 werkte Daniels met de band van Billy Mason in het Cafe de Paris. Voor Daniels was het een bijzondere periode: 'De Prins van Wales kwam vaak bij ons langs en hij speelde vaak op mijn drums.' Het was een niet geheel nieuwe ervaring. Eerder had de Prins de drumsticks van Daniels overgenomen tijdens een tocht op een passagierschip in 1922. 

Na een periode bij de band van trompettist Max Goldberg en bij de band van Fred Elizalde in de jaren twintig, trad Joe Daniels toe tot de band van Harry Roy in 1931. Het was zijn thuisbasis voor de komende zes jaar. Naast zijn werk bij Harry Roy formeerde Joe Daniels zijn Hot Shots en maakte een reeks opnamen voor Parlophone. De opnameleider, Oscar Price, vroeg hem om vooral nummers drumsolo's op te nemen. Hoewel gepokt en gemazeld in de showbusiness maakte Daniels een grote fout. Hij liet zich voor deze opnamen royaal cash uitbetalen, in plaats van een contract te tekenen dat hem van de royalties kon verzekeren. Dat brak hem op, toen zijn platen werden uitgebracht in Rusland, Japan, China en de Verenigde Staten. Daniels hield zijn Hot Shots tijdens de oorlog en daarna gaande tot 1951. Tijdens de oorlog diende hij bij de RAF en leidde daar een kwintet dat langs danstenten toerde. Na de oorlog formeerde hij een band die meer stijlvaste oude jazz speelde. Die verandering van richting werd gehonoreerd met een optreden op het Festival Hall Jazz Concert in 1951. Daar trad Daniels op met Humphrey Lyttelton, Mick Mulligan, Freddy Randall en andere formaties die speelden voor de prinses Elizabeth, die later Koningin zou worden. Prinses Elizabeth, die in het geheim door het jazzbroederschap in die dagen 'Corky' werd genoemd, bleef 50 minuten bij het concert. Volgens het boekje van de omringende hofhouding hadden dat er hoogstens 25 mogen zijn. De nieuwe band van Joe Daniels was goed en had enige goede solisten, maar het succes bleef bescheiden tot de band in 1959 werd opgeheven.


Joe Daniels and his Hot Shots door redhotjazz

Het showverleden van Daniels bleef voor fanatieke jazzpuristen een reden om zijn band af te doen als 'Archer Street jazz'. Archer Street was het centrum voor beroepsmuzikanten, die -anders dan echte jazzmusici - eigenlijk goed werden betaald voor hun muziek. Dat soort overwegingen waren Joe Daniels worst. De fijnzinnige en principiële opvattingen van jazzpuristen werd kort daarop opnieuw gekwetst toen Joe Daniels in 1955 een plaat uitbracht als Washboard Joe and the Scrubbers. Succes bleef uit, ook toen Joe Daniels toch maar weer voor de lucratievere showbusiness koos. Uiteindelijk belandde hij met zijn band in een van Butlin's Holiday Camps. Tot drie jaar voor zijn overlijden trad Joe Daniels op, meestal in het Savoy Hotel in Londen. Show? Kijk op youtube naar: Joe Daniels & His Hot Shots ~ Early 1930's British Jazz Soundie. Toch heb ik ook een E.P.-tje uit de jaren vijftig met naast een drumnummer drie puike nummers in de dixieland/swingstijl van de Dutch Swing Collegeband. Traditionele jazz of show; dat dilemma leidde in de looppbaan van Joe Daniels tot keuzes die tussen wal en schip eindigden.

Bijdrage: C.P. Vincentius