zaterdag 28 december 2013

Jim Hall 1930 - 2013

Mooie blog van JazzWax* naar aanleiding van het overlijden van Jim Hall.


















*JazzWax, Marc Myers writes daily on jazz legends and legendary jazz recordings

vrijdag 27 december 2013

Frank Wess 1922 - 2013

Frank Wess was een groot musicus, tenorsaxofonist  en fluitist. Hij was er een van de oude school in de jazz, de school waar een gevoel voor hartverwarmende swing het belangrijkste was. 'Wanneer je de maat met je voet niet kunt meetikken of er niet op kunt dansen, kun je net zo goed taxichauffeur worden, vertelde hij in een interview in 2005. 'Want daar alleen gaat het om.' De bittere ironie van deze uitspraak ligt in het gegeven, dat Frank Wess op 30 oktober 2013 in een taxi stierf, terwijl hij op weg was naar de nierdialyse. Hij werd 91 jaar.
























De bigband van Count Basie was een van de weinige orkesten die vanaf het begin van de dertiger jaren vorige eeuw tot in de zeventiger jaren jazz van hoge kwaliteit leverde. Veel van dat succes was terug te voeren op de grote talenten, zangers, instrumentalisten en arrangeurs die deel uitmaakten van de Count Basie. Frank Wess was degene die de saxofoonsectie van de Basieband in de jaren vijftig en zestig leidde. Daarnaast was hij een pionier. Hij was een van de eerste die de dwarsfluit een duidelijke plaats in het jazzgebeuren gaf. Frank Wellington Wess werd op 4 januari 1922 in Kansas City geboren en leefde tot  zijn dertiende levensjaar in Sapulpa, Oklahoma. Zijn vader was hoofdonderwijzer. Het was zijn moeder die Frank aanmoedigde om muziek te gaan studeren. Ze nam hem mee naar concerten van de klassieke tenor Roland Hayes en naar de blueszangere Ida Cox. Toen Wess tien jaar werd, kreeg hij zijn eerste saxofoon.

Frank Wess begon zijn loopbaan in Washington, toen hij in 1935 naar die stad verhuisde. Hij stopte tijdelijk met spelen, tot hij een groep studenten hoorde jammen tijdens de lunch op Dunbar high School. Een van die studenten was Billy Taylor. Taylor switchte van saxofoon naar piano toen hij Frank Wess hoorde spelen. 'Wess was toen nog een tiener, maar hij was al een opmerkelijke solist, volgens Eaylor in een intervieuw in 2008. Zowel Billy Taylor als Frank Wess studeerden in Washington bij Henry Grant, dezelfde leraar die zoveel invloed had op de jonge Duke Ellington. In zijn jonge jaren studeerde Frank Wess klassieke muziek. Zijn ervaring met jazz deed hij op in de nachtclubs van Washington, zoals de Club Bali, Republic Gardens, Crystal Caverns en Club Bengasi.
'Jazz moest je op straat leren. Speelde je jazz op het conservatorium, dan werd je er uit gegooid.' Zijn grote voorbeeld in die jaren was tenosaxofonist Lester Young.

De eerste professionele band van enige importantie was de formatie van Blanche Calloway, zuster van de bekende bandleider Cab Calloway. Daarnaast bleef Wess studeren. Tijdens de Tweede Wereldoorlog gaf hij- als twintigjarige- leiding aan een zeventienkoppig legerorkest- The 5th Armyband- die voor de troepen optrad. Ook was hij soloklarinettist in deze formatie. "We werden in 1942 naar Afrika gestuurd,'' herinnerde hij zich in een interview in 2005. "Toen we daar aankwamen was ons eerste optreden voor de Amerikanen, de Duitsers en de Engelsen. Kun je je het voorstellen? Ze dansten allemaal samen."

Zijn loopbaan kreeg verder vorm bij de bigband van zanger Billy Eckstine in het midden van de veertiger jaren, een bigband die toentertijd talenten als zangeres Sarah Vaughan, de trompettisten Dizzy Gillespie, Miles Davis en Fats Navarro, saxofonisten Charlie Parker en Dexter Gordon plus drummer Art Blakey in haar gelederen had. Na de band van Billy Eckstine vestigde Wess zich in Washington in 1949. Ondertussen speelde hij bij de bands van Lucky Millinder, Eddie Heywood
en de rhytm and blues formatie van Bull Moose Jackson. Met behulp van de G.I. Bill, die hij van zijn militaire dienst periode overhield, studeerde fluit bij Wallace Mann van het Nationaal Symfonie Orkest en rond zijn conservatoriumstudie af. Toen begon Count Basie te bellen en wist Wess geleidelijk over te halen om in 1953 tot diens bigband toe te treden. Frank Wess trad toe tot een versie vande Count Basie band  die The New Testament versie van de Basieband werd genoemd. Wess recruteerde toptalenten zoals trompettist/arrangeur Thad Jones, saxofonist Eric Dixon, bassist Eddie Jones en trombonist Bill Hughes voor de band. Het was de naoorlogse versie van de Count Basie band, met als hoogtepunt  de plaat 'The Atomic Mr. Basie uit 1957.

Het was Count Basie die Frank Wess overhaalde om te soleren op de fluit. Zijn solo´s op fluit in ´Cute´en andere nummers van de Basieband, gaven de band niet alleen een andere instrumentaal geluid, maar hadden invloed op het hele jazzgebeuren in die periode.  In zijn elf jaar bij de Count Basie bigband leverde Wess bijdragen aan jazzklassiekers als “April in Paris” uit 1955 en “Atomic Mr. Basie” uit 1957.  Wess' compositie Segue in C  was jarenlang een van de repertoirnummers. Een van de meest memorabale momenten van de band uit die periode is de soepel swingende solo op “Corner Pocket”. Jarenlang speelde Frank Wess samen met tenorsaxofonist Frank Foster. Foster zou later The Count Basie band leiden, na de dood van Count Basie. Foster en Wess vormden een duo dat complementair was, Frank Foster met zijn agressieve en door de bebop geïnspireerde stijl, Frank Wess met zijn elegantere, lyrische en meer ontspannen stijl. Zij bepaalden veel van het klankbeeld van de Basieband in de vijftiger en zestiger jaren. Hun- vriendschappelijke-   tenorbattles waren zo bepalend voor de optredens van de Basieband dat deze arrangeur/componist Neal Hefti inspireerden tot  "Two Franks".

Frank Wess verliet Count Basie in 1964 en verhuisde naar New York, waar hij werk vond bij de band van trompettist Clark Terry. Ook speelde hij in New York Jazz Quartet, samen met pianist Roland Hanna. Daarnaast had hij groepen onder eigen  naam. deed hij veel werk, o.a. The Sammy Davis Show en The Dick Cavett Show, in opnamestudio's en in begeleidingsorkesten van Broadwayshows. In 1980 formeerde hij met Frank Foster een kwintet, Two Franks, dat meer dan twintig jaar samen speelde. Daarnaast leidde Wess een big band met veel bekenden uit de Basie band, zoals trompettist Harry Edison, trombonist Benny Powell en saxofonist Billy Mitchell. Met deze bigband toerde hij o.m. door Japan. Als begeleider werd hij gevraagd voor Sarah Vaughan, Frank Sinatra en Anita O'Day. In de tachtiger jaren werkte hij regelmatig met de Toshiko Akayoshi big band en een band die het repertoire van Tadd Dameron speelde, Dameronia. Hij bracht verscheidene platen onder eigen naam uit, de laatste Magic 101 in 2013, samen met pianist Kenny Barron. "Rustig gaan leven? Hoezo? Ik heb mijn hele leven nooit iets anders gedaan, "verklaarde hij in een interview.

Bijdrage: C.P. Vincentius

vrijdag 6 december 2013

CD: Nueva Manteca - 25 years

Als je succesvolle Nederlandse exportproducten op moet noemen zullen niet heel veel Nederlanders direct aan Nueva Manteca denken. Onterecht! De Nederlandse band is bij Latin-jazz kenners over heel de wereld een begrip. Ter ere van het 25 jarig bestaan  van de band brengen ze een live cd uit. Of eigenlijk twee, één cd met een opname van het radioprogramma Tros Sesjun, opgenomen in 1994 in het befaamde Nick Vollebregt's Jazzcafé in Laren. De tweede cd is eerder dit jaar opgenomen in het Bimhuis in Amsterdam.


















Live is Nueva Manteca op haar best. Dat blijkt uit deze twee cd's, maar ook uit het feit dat ze zeer gewild zijn voor optredens in het buitenland, de band speelde in nationale- en internationale theaters, clubs en op vele festivals wereldwijd. De bezetting is door de jaren veranderd en werd de elektrische gitaar toegevoegd. Wat bleef wat het enthousiasme en speelplezier. Een genot om naar te kijken, en op deze cd's te luisteren.

Bij de live opnamen uit het Bimhuis ligt de nadruk op de muziek van Carlos Santana en is er een heerlijke uitvoering van het door Marcus Miller voor Miles Davis geschreven: Tutu. De opnamen uit 1994 van Tros Sesjun komen iets meer uit de jazzhoek met nummers van onder andere George Gerswhin, Victor Feldman en Chick Corea. Verder een swingende latin uitvoering van Arthur Schwartz's 'You and the night and the music'. Zo wil je elke 'night' wel je 'music'!

Beide cd's geven een uitstekende indruk van energie, inventiviteit, creativiteit en muzikale wilskracht die Nueva Manteca bezit! Kijk voor meer informatie over de band, optredens en de cd op de website van JWA Jazz & Worldmusic Agency

zondag 1 december 2013

Chico Hamilton 1931 - 2013

Op 25 november 2013 overleed drummer Chico Hamilton, een bandleider die vooral in de cooljazz een wezenlijk bijdrage heeft geleverd. Hij werd 92 jaar.
Als bandleider naam hij meer dan zestig platen op en verscheen hij in films en schreef mee aan filmscores. In oktober 2013 voltooide hij zijn laataste cd "Inquiring Minds" met zijn Euphoria ensemble. Deze cd zal in het volgend voorjaar officieel worden uitgebracht. Hamilton had een goed oor voor aankomend talent. Latere topartiesten zoals de gitaristen Jim Hall,Gabor Szabo en Larry Coryell, de saxofonisten Eric Dolphy en Charles Lloyd en bassist Ron Carter maakten deel uit van de diverse formaties onder zijn leiding.





















Het zat er al vroeg in bij Chico Hamilton. Hij werd 1921 geboren in Los Angeles. De highschoolband waarin hij speelde had onder meer de saxofonisten Dexter Gordon, Illinois Jacquet, Buddy Colette, trompettist Ernie Royal en bassist Charles Mingus in de gelederen. Daar kreeg hij ook de bijnaam Chico, in verband met zijn geringe grootte.  In de jaren veertig werkte hij bij Slim Gaillard, met wie hij ook zijn eerste plaatopnamen maakte. In die periode was hij de vaste drummer in de club van Billy Berg's in Los Angeles. Al vroeg in zijn loopbaan was hij betrokkken bij het fenomeen film. Zo trad hij op in de film 'You'll Never Get Rich' uit 1941, als lid van de begeleidingsband van Fred Astaire. Hij leverde ook een bijdrage aan de soundtrack van de Bing Crosby en Bob Hope film 'Road to Bali'. Van 1942 tot 1946 was hij in militaire dienst. Andere werkgevers na die periode waren onder meer Jimmy Mundy, Slim & Slam, T-Bone Walker,  Duke Ellington, Charlie Barnet, Billy Eckstine, Nat King Cole, Sammy Davis Jr., Lionel Hampton en Count Basie. Hij speelde mee bij Billie Holiday tijdens haar Carnegie Hall Concert en op de LP Lady Sings the Blues, beide in 1956. Ook werkte hij in 1946 voor een korte periode bij Lester Young. Van 1948 tot 1955 toerde hij als begeleider van zangeres Lena Horne. Tussen de toernees door deed hij studiowerk en speeelde in diverse bands in Los Angeles.
Zodoende kwam hij in 1952 in contact met baritonsaxofonist Gerry Mulligan. Hamilton's subtiele en creatieve drumstijl  vormde de basis voor Mulligan's vernieuwende pianoloze kwartet met trompettist Chet Baker. Dit kwartet was de toetsteen en de mijlpaal voor de zachtaardige en lyrische West Coastjazz. Het spel van Chico Hamilton contrasteerde wezenlijk van de harde en agressieve hard-bopstijl van EastCoast drummer Art Blakey.

Voor veel jonge drummers vormde Hamilton een inspiratiebron, zoals voor Charlie Watts, de drummer van The Rolling Stones. Toen deze een opname van het Gerry Mulligan Quartet hoorde, was hij verkocht. 'Chico Hamilton speelde op de eerste plaat die ik kocht. Ik kan eigenlijk niet precies aangeven, hoe die stijl me aansprak. Misschien lag het in de manier waarop de brushes werden gebruikt,' verklaarde Charlie Watts tijdens een interview voor de de documentaire "Chico Hamilton: Dancing to a Different Drummer". Charlie Watts trad ook als gastmusicus aan op Chico Hamilton's cd 'Forestorn' uit 2001.

Zijn loopbaan als bandleider begonn  Chico Hamilton in 1955. Hij nam zijn eerste langspeelplaat op voor het label Pacific Jazz, met bassist George Duvivier en gitarist Howard Roberts. Opmerkelijk was dat de drie musici eerder als elkaar aanvullende solisten dan als ritmesectie speelden. Later in hetzelfde jaar formeerde Hamilton een ongebruikelijk geïnstrumenteerd kwintet dat kamermuziekjazz speelde. Deze band, met cellist Fred Katz, fluitist Buddy Collette, bassist Carson Smith en gitarist Hall, werd een van de meest invloedrijke formaties van de West Coast Jazz. In 1957 maakte de groep, intussen met fluitist Paul Horn en gitarist John Pisano, een gastoptreden in de film "Sweet Smell of Success," met Hollywoodsterren Burt Lancaster en Tony Curtis. De band verzorgde een bijzonder mooi optreden, dit keer met Eric Dolphy op fluit, in de Newport Jazz Festival documentaire "Jazz on a Summer's Day" uit 1960. In 1961 speelde Charles Lloyd tenorsax en was de gitarist van het kwintet Gabor Szabo. Toen veranderde Hamilton de succesformule en verving hij de cello door een trombone. Het totaalgeluid van de band werd hierdoor meer bluesy en en tendeerde richting hardbop. Met deze formatie maakte Chico Hamilton opnamen voor de labels Impulse, Columbia en Soul Jazz. Naast de band en de optredens vormde Hamilton in het midden van de zestiger jaren een bedrijf dat muziek voor films en commercials produceerde. Zo schreef hij in 1967 de muziek voor de eerste Engelstalige film van Roman Polanski,"Repulsion." Ook componeerde hij de herkenningsmelodie van de TV-serie "The Gerald McBoing-Boing Show."

Door de jaren heen had Hamilton diverse successen die het goed deden op de dansvloer zoals zijn herkenningsmelodie "Conquistadors" van het Impulse album El Chico uit 1960 en het Braziliaans getinte "Strut" van het Elektra album Nomad uit 1980. Deze waren indertijd vooral in Engeland populair.
Hij bleef in die periode diverse groepen leiden en speelde muziek die, dan weer naar avant garde, dan weer naar hardbop, dan weer naar fusion neigde. Daarbij bleef hij jong talent ontdekken en stimuleren, Larry Coryell, Steve Potts, Arthur Blythe, en Steve Turre (verrassenderwijs op bas) vonden mede  door Chico Hamilton hun plaats aan het jazzfirnament.

In 1987 was Hamilton een van de oprichters van de jazzfaculteit van New School University. Tot zijn studenten behoorden John Popper van de groep Blues Traveler en Eric Schenkman van The Spin Doctors. Ook formeerde hij in 1987 een nieuw band die hij  Euphoria noemde.
Hij ondernaam lange toernees en maakte opnames voor het onafhankelijke label Joyous Shout!, onder nadere vier platen om in 2006 zijn 85ste verjaardag te vieren. Zelf zei Hamilton in 2009 in een interview: 'Ik heb de drums altijd als een melodisch instrument gezien, niet als een percussief. Ik heb van dat idee uitgaande mijn stijl ontwikkeld. Misschien geen harde, maar wel de mijne.'


Bijdrage: C.P. Vincentius

zondag 29 september 2013

Southern Syncopated Orchestra, pioniers van de jazz in Engeland [LONGREAD]


Het culturele leven in Londen heeft altijd een cosmopolitische inslag gehad. De functie van hoofdstad, niet alleen van Groot-Brittanië, maar zeker ook van het complete Britse wereldimperium heeft daar in het verleden en tot in het heden toe aan bijgedragen. De geschiedenis van jazz is vaak gefocused op Amerika en op New Orleans, maar in 1919 - in hetzelfde jaar dat in Amerika de eerste jazzopname uitkwam- veroverde het Southern Syncopated Orchestra Londen en kort daarop Groot-Brittanië. In maart 1919 organiseerde de Engelse theateragent André Charlot optredens voor het Southern Syncopated Orchestra in Londen. Het orkest was gecontracteerd voor twee optredens van twee uur elk dag in de Philharmonic Hall, Great Portland Street, Londen van 4 juli tot 6 december 1919. Het orkest werd deel van het Londense uitgangsleven, hoewel ze in het begin niet populair waren. Het publiek bestond vaak niet meer dan twintig bezoekers. Die populariteit veranderde met de uitnodiging van de Prince of Wales -ofwel de toekomstige koning Edward VIII -op Buckingham Palace en met een toernee door Engeland. De optredens werden aangekondigd als concerten, omdat in de eerste jaren na de oorlog entertainment à la het Southern Syncopated Orchestra discutabel werden geacht. Het aankondigen als concerten had ook het grote voordeel dat men op zondagen mocht spelen. Het orkest gaf dan ook veel concerten in de populaire badplaatsen aan de zuidkust en oostkust  van Engeland. Achteraf mag gesteld worden dat het Southern Syncopated Orchestra in de korte periode van zijn bestaan een wezenlijke invloed op het Londense uitgaansleven had en dat het orkest zwarte muziek populair maakte.

Oprichter en muzikale leider van het Southern Syncopated Orchestra  was de Afro-Amerikaanse componist en violist Will Marion Cook. Deze William Mercer Cook, beter bekend als Will Marion Cook, werd op 27 januari 1869 geboren en overleed op 19 juli 1944. Cook was een student van Antonín Dvořák, toen deze Tsjechische componist een tijdlang in de Verenigde Staten woonde en er onder andere de Symfonie 'From the New World', een Cello Concert en zijn 'American' String Quartet in F, opus 93 schreef. Miljonaire en theaterimpresario Jeannette Thurber haalde Dvorak naar Amerika om les te geven aan haar conservatorium, een conservatorium dat in de tweede helft van de negentiende eeuw zijn tijd ver vooruit was. Vrouwelijke en zwarte studenten werden toegelaten, waaronder Wil Marion Cook en Henry Thacker Burleigh. De laatste maakte Dvorak vertrouwd met spirituals. Voor de vijftigjarige Dvorak was het een lucratieve overeenkomst. Hij verdiende 15.000 dollar per jaar en dat was vijfentwintig keer zoveel als hij in Praag mocht incasseren. Hij moest zes concerten per jaar geven en was daarnaast drie uur per dag, zes dagen per week muzikaal leider van het conservatorium. Dvorak gaf les aan de meest getalenteerde studenten in compositie en in instrumentatie en bereidde uitvoeringen van de studenten voor. Voor Will Marion Cook was de conservatoriumstudie een degelijke basis, al ging zijn interesse niet uit naar een loopbaan in de klassieke muziek. Eer Will Marion Cook met het Southern Syncopated Orchestra door Europa toerde, had hij al een mooie muzikale loopbaan achter de rug. Het avontuur met het Southern Syncopated Orchestra, dat desastreus zou eindigen, was er slechts een van zijn vele activiteiten. In de geschiedenis van de populaire muziek is Will Marion Cook vooral bekend als schrijver en componist van populaire songs en Broadway musicals, zoals 'Clorindy, of 'The Origin of the Cake Walk' en 'In Dahomey.' 'In Dahomey' werd in 1903 op Broadway opgevoerd en was de eerste musical die geschreven en uitgevoerd werd door zwarte Amerikanen. Sommige van de liederen die Cook schreef, werden gepubliceerd in 'A Collection of Negro Songs' uit 1912. Ook schreef Cook de jazzklassieker I'm coming Virginia, bekend in de versie van Bix Beiderbecke en van Bobby Hackett. Cook was actief als dirigent van koren en orkesten. Hij orgniseerde diverse concerten, zowel in New York als in Washington, D.C. Hij richtte het New York Syncopated Orchestra op, dat in 1918 door de Verenigde Staten toerde en in 1919 de oversteek naar Groot-Brittanië maakte, als het Southern Syncopated Orchestra. In die voorloper van het Southern Syncopated Orchestra speelden ook Sidney Bêchet en cornettist Arthur Briggs mee.Met hem ging ook Cook's vrouw Abbie Mitchell mee, een klassiek geschoolde zangeres met een prachtige stem. Men luistere op youtube naar: Summertime - Abbie Mitchell (1935).

Tijdens zijn loopbaan op Broadway kwam Will Marion Cook ook in contact met de jonge Duke Ellington, die probeerde zijn songs bij de diverse muziekuitgeverijen op Tin Pan Alley te slijten. Dat lukte, al was Ellington zelf over het gehalte niet zo te spreken. Tijdens een lange taxirit door Central Park praatten de twee mannen over muziek. Cook drong er bij Ellington op aan om een klassieke muziekopleiding te gaan volgen, zodat deze meer inzicht in harmonie zou krijgen. Ellington vond dat hij daar geen tijd voor had. 'Ze leren me daar niet, wat ik wil leren,' zei hij. 'Als dat zo is, vertelde Cook hem,' probeer dan eerst de meest logische manier van muziek schrijven onder de knie te krijgen. En zodra je die gevonden hebt, ontwijk hem dan. Geef je innerlijke zelf de kans door te breken en je te leiden en probeer niet iemand anders te zijn dan jezelf.' Het was een raad die Ellington zijn hele leven zou volgen. Hij wist datgene te nemen wat zou kunnen en maakt het waar. Hij begreep wat er voor nodig wat het onzichtbare zichtbaar te maken. Ragtimepianist Eubie Blake had een andere opvatting van Will Marion Cook. 'Cook was een groot musicus, maar hij probeerde dingen bij mensen door de strot te duwen. Ik denk dat hij dat in Europa heeft opgelopen. Hij probeerde Richard Wagner na te apen.'

Het Southern Syncopated Orchestra was samengesteld uit 27 musici en 19 zangers. De musici kwamen onder meer uit New Orleans, New York, Philadelphia, Guyana, Barbados, Antigua en de Goudkust (het huidige Ghana). Leden waren onder andere trompettist Joe Smith uit Jamaïca, fluitist Bertin Depestre Salnave uit Haïti en Cyril en George Blake uit Trinidad, pianist Mope Desmond ofwel Caleb Quaye uit Ghana en drummer Pete Robinson uit New York.  Er waren tenminste drie vrouwelijke orkestleden, Evelyn Mary Luke en de zusters Angelina De Caillaux en Santos “Santita” Rivera.
Niet alleen in Londen of in Groot-Brittanië, maar in heel Europa lieten optredens van het orkest een diepe indruk achter. In het Londense uitgaansmilieu was het orkest een openbaring met zijn nieuwe stijl van gesyncopeerde muziek en de bijzondere talenten die de formatie had. De Daily Herald maakte op 4 augustus 1919 gewag van "Real Ragtimes By Real Darkies". De enige overgebleven foto's van het gehele ensemble, die in 1919 bij de Brighton Dome zijn genomen, tonen een groep van goed verzorgde en zelfverzekerde musici. Veel van de bandleden, waaronder drummer Pete Robinson, pianist Mope Desmond en zanger Frank Bates vestigden zich al snel in het Zuiden van Londen. Diverse mannen van de band trouwden met blanke Engelse vrouwen. Resultaat: in 1921 waren er tenminste 16 kinderen van gemengd ras.

De legendarische en virtuoze klarinettist en sopraansaxofonist Sidney Bêchet kwam naar Engeland om de gelederen van het Southern Syncopated Orchestra te versterken op basis van een weekloon van zestig dollar. De aanwezigheid van Bêchet hielp om het Southern Syncopated Orchestra en de jazz op de muzikale landkaart te zetten. Opmerkelijk mag heten dat Sidney Bêchet tijdens zijn verblijf in Londen op de sopraansaxofoon overging. Dat gebeurde toen hij de rechte versie van het instrument in een winkel in Wardour Street, Soho zag liggen. Nadat Bêchet de instrumentmaker had gevraagd om een extra toets aan het instrument toe te voegen, wist hij al gauw het publiek in zijn ban te brengen met zijn nieuwe instrument. De eerste serieuze beschouwing over jazz in Europa werd geschreven door Ernest Ansermet, dirigent van L’Orchestre de la Suisse Romande. De beschouwing, naar aanleiding van het optreden van het Southern Syncopated Orchestra verhaalde onder meer van de virtuoze vertolkingen op klarinet door Bêchet. Naar de mening van Ansermet waren de arrangementen van het Southern Syncopated Orchestra extreem moelijk, maar ook bewonderenswaardig door hun vindingrijkheid, krachtige accenten en durf wat betreft de vernieuwing en het onverwachte. Ansermet vergeleek hun muzikaal niveau zelfs met dat van de concerten van J.S. Bach. Het orkest heeft hedentendage de reputatie van een jazzorkest, maar veel van de muziek die werd gespeeld, was geen jazz zoals die in dezelfde periode in de Verenigde Staten werd gespeeld. Men speelde nummers die eerder aan de roemruchte Tin Pan Alley deden denken en daarnaast spirituals, strak georkestreerde ragtime, muziek die eigenlijk in minstrelshows thuishoorde, werk van W.C. Handy en liederen zoals die op de plantages werden gezongen. Bij het toeren door Europa trad het orkest op 6 mei 1921 op tijdens het  Bal Blanc et Noir at Théâtre des Champs Elysées, Parijs als L'Orchestre als Symphonique Américain, dan wel American Southern Syncopated Orchestra of als Negro Syncopated Orchestra op 9 Jul 21 in het Palais du Trocadero, Parijs. In Wenen 9 mei 1922 in het Vergnügungspark, Kaisergarten als het American Syncopated Orchestra.

Hoewel sommige jazzfanaten bekend zijn met het werk van het Southern Syncopated Orchestra door de vermelding van Sidney Bêchet, zijn er nooit opnamen van de groep ontdekt. Het is zelf onwaarschijnlijk dat ze ooit geluid aan het schellak hebben toevertrouwd. Mede daardoor is hun muzikale erfenis grotendeels verbleekt. Daarvoor zijn ook andere oorzaken aan te wijzen. Op 9 oktober 1921 waren de meeste leden van het Southern Syncopated Orchestra in Glasgow scheep gegaan op de SS Rowan richting Derry, om daar hun succesvolle reeks optredens voort te zetten. De tocht eindigde een regelrechte catastrofe, toen de SS Rowan in dichte mist in botsing kwam met twee andere schepen. Sommige lichamen van verdronken bandleden konden nooit geborgen worden. Zanger Frank Bates was een van bandleden die in de golven verdween. Ook lieten onder meer trombonist John Herbert Greer uit Ierland, banjospeler Charles Henry Macdonald uit Zuid- Afrika en zanger, pianist en organist Frank Lacton uit Sierra Leone het leven. Orkestleden als Cyril Blake en zijn broer George 'Happy' Blake overleefden de scheepsramp, net als de Jamaìcaanse trompettist Joe 'Joseph I.' Smith en de in Sierra Leone geboren trompettist Egbert Emmanuel Thompson. Violist Frank Essien, die van gedeeltelijk Ghanese en Poolse afkomst was en Rupert Gaskin overleefden ook, maar overleden later aan tuberculose, respectievelijk in 1923 en in 1926. Tympanispeler Frank Obediah Kennedy uit Sierra Leone en het Ghanese orkestlid William Martin Ofori werden bij de scheepsramp gewond, maar overleefden. Zangeres Evelyn Mary Luke was ook een overlevende. Zij zou haar theaterloopbaan vervolgen en werd uiteindelijk de plaatsvervangster van Josephine Baker in het Casino de Paris. De tragedie met SS Rowan werd indertijd uitgebreid in de Britse pers gebracht.

Het verhaal van het Southern Syncopated Orchestra en haar bijdrage aan de populaire cultuur is eigenlijk hetzelfde verhaal als de vele individuele verhalen van zwarte Britten, die blijkbaar niet in staat waren om indruk na te laten in de officiële geschiedenis van Groot-Brittanië. Vanaf het Southern Syncopated Orchestra lopen diverse historische lijnen richting moderne tijd. De pianist van het SSO, Mope Desmond, liet bij zijn verscheiden een zoon achter die ook musicus werd en op zijn beurt de vader werd van jazzpianiste Terri Quaye. Verder terugkijkend in dezelfde lijn, Mope Desmond kwam uit Ghana uit een familie van Afrikaanse musici. Hij stierf in 1921 in Engeland bij een spoorwegongeluk. Een van de zangers van het SSO, de uit Barbados afkomstige Frank Bates, trouwde met een Engelse en kreeg twee dochters. Deze meisjes groeide op in het Londen van de twintiger jaren en werden opgevoed door hun blanke grootouders. Hoe hun vader Frank Bates was, werd Florence en Vivien pas duidelijk gemaakt door hun nicht, Juliette Jones, die met een stamboomonderzoek begon en van lieverlee op Frank Bates en het SSO uitkwam. Toen deze nicht eenmaal op onderzoek richting Southern Syncopated Orchestra ging, vond zij in de kwaliteitsbladen van die dagen veel gedegen beschouwingen over het orkest.

Florence Bates, thans Mrs. Kenny, vertelde onlangs dat zij veel meer van zichzelf begrijpt, sinds zij hoorde van het wel en wee van haar vader, Frank Bates. De familie had haar en haar zuster Vivien altijd zorgvuldig onledig gehouden van het wel en wee van haar vader. Mede door de geschiedenis van haar vader heeft zij meer inzicht en affiniteit gekregen voor haar afkomst als zwarte Engelse. Zij meent dat het verhaal van het Southern Syncopated Orchestra een duidelijke les inhoudt, hoe de samenleving de talenten van individuen dient te waarderen, zonder onderscheid naar etnische afkomst. Vrijwel dezelfde inschatting maakt de schrijfster Suzy Kester in haar boek“Under My Own Colours”. Haar grootvader, de Amerikaan Pete Robinson, werd gevonden als drenkeling na de aanvaring van de SS Rowan. Hij werd begraven in een anoniem graf op de begraafplaats van Tooting, Londen. Het leven voor haar grootmoeder was armoedig, mede omdat de rederij van de SS Rowan na de ramp bijna niets compenseerde. De strijd van de grootmoeder tegen vooroordelen met betrekking tot ras en afkomst, was een voorafspiegeling van de vooroordelen die dertig jaar later, in 1948, de eerste Jamaicanen ten deel viel die zich in Groot-Brittanië vestigden. Suzy Kester werd tijdens een luchtaanval van de Luftwaffe in 1940 geboren. Zij is een voorbeeld van de vele zwarte Engelsen die toentertijd in Londen leefden. De families zijn nu actief bezig om de andere nakomelingen van orkestleden van de Southern Syncopated Orchestra te traceren. Deze families bleven in Engeland nadat de het orkest werd opgeheven na de scheepsramp.

Een andere oorzaak van de opheffing lag in de voortslepende ruzie tussen Will Marion Cook en George William Lattimore  over de vraag wie uiteindelijk de eigenaar was van Southern Syncopated Orchestra. Hoe het orkest klonk is moeilijk in te schatten. Weliswaar zijn er in de Verenigde Staten en in Europa in de twintiger jaren orkesten geweest die geheel of gedeeltelijk een gelijksoortig repertoire voerden, maar of vergelijker met het Southern Syncopated Orchestra opgaat, is nog maar de vraag. Waarschijnlijk is de uiterst diverse afkomst van de leden doorslaggevend geweest voor het eigen geluid van het orkest. Ook de muzikale inzichten van Will Marion Cook zullen bepalend zijn geweest voor repertoirekeuze en voor de uitvoeringspraktijk. Of de arrangementen nog bestaan en of een uitvoering ervan door een hedendaags orkest het orgineel benadert, valt nog maar te bezien.

Bijdrage: C.P. Vincentius