zondag 17 februari 2013

Pat Halcox 1930 - 2013

Op 82-jarige leeftijd is Pat Halcox overleden, een naam die de meeste dixielandliefhebbers in Nederland wel wat zal zeggen, want de loopbaan van jazztrompettist Pat Halcox werd bepaald door de bijzonder lange muzikale vriendschap met trombonist Chris Barber.
















Vijf jaar geleden verklaarde Halcox de lange levensduur van die vriendschap in een interview: 'Chris deed alles wat hij deed met zoveel zorg en dat is de reden dat ik bij hem bleef. Ik ben overal in de wereld geweest, ben vriend geworden met fantastische musici, heb voor groot publiek gespeeld en in beroemde theaters. Voor dat alles ben ik Chris dankbaar.' In die halve eeuw met de band van Chris Barber was de stijl van spelen van Pat Halcox helder en uitermate swingend. Er waren tijden van ongekende succes in de periode na de Tweede Wereldoorlog, toen dixieland enorm populair was. Er waren vaak optredens met bekende Amerikaanse jazzmusici, in Europa, de Verenigde Staten en in Australië, altijd voor uitverkochte zalen. Ook de vraag naar grammofoonplaten en later naar cd's bleef op een constant hoog niveau.

Oorspronkelijk opgeleid tot laborant, kreeg de in Londen geboren Halcox een baantje als leerling laborant in Greenford en studeerde verder in deze richting. Intussen ontwikkelde zich zijn interesse in jazz, nadat hij zijn eerste King Oliverplaat in een grammofoonplatenzaak hoorde. Algauw vond hij andere enthousiastelingen en formeerde een bandje. In die dagen speelde hij alleen piano. Tijdens zijn dienstplicht bij de RAF maakte hij zich het trombonespel meester. Toen zijn vrienden echter een trompettist voor hun amateurband nodig hadden, wisselde hij opnieuw van instrument, dit keer voorgoed. In die tijd was een dergelijke wissel niet moeilijk. Wel werd het voor Halcox moeilijker de balans tussen studie voor laborant en het deelnemen aan jazzsessies te vinden. Hij verwaarloosde zijn studie en begon jazz voorrang te geven. Algauw speelde hij in een vroege versie van de Chris Barber Band, hoewel hij een professionele loopbaan in de muziek nog steeds niet duidelijk voor ogen had. Toen in 1954 de band van Barber aan niveau en aantal optredens won, ontstond er een conflict het cornettist Ken Colyer. Colyer stond een meer stijlzuivere dixieland voor dan de andere leden van de band. Halcox nam zijn plaats in met het idee: zolang het duurt, duurt het. Het bleek langer te duren dan hij ooit had kunnen vermoeden.

Chris Barber, Pat Halcox, Monty Sunshine, die combinatie bepaalde lang het gezicht van van de band. Vooral Monty Sunshine's versie van Petite Fleur droeg veel aan de populariteit van de band bij. Ice Cream was een andere topper. Muzikaal was het recept dixieland in combinatie met veel drive en swing. Oorspronkelijk was Halcox een aanhanger van de strikte en stijlzuivere New Orleansstijl. Geleidelijk aan verbreedde zich zijn smaak, mede doordat de Chris Barber Band zijn repertoire verruimde en veel met Amerikaanse jazzmusici uit de swingperiode optrad. De kennis en het inzicht van Chris Barber in blues en gospel bracht de band in contact met Muddy Waters en Sister Rosetta Tharpe. Samen met Muddy Waters trad de band op in diens Chicago South Side Club. Aan de tour door Groot Brittanië met de uitbundige Amerikaanse saxofonist Louis Jordan bewaarde Halcox warme herinneringen: Werken met Louis Jordan leek op rondgesleept worden door wilde paarden. De man ging oppad om plezier te hebben en indruk te maken. dat lukte. Vanaf 1968 heette de formatie Chris Barber's Jazz and Blues Band, met de uitermate kundige bluesgitarist John Slaughter als vaste teamgenoot.

In 2001 vond opnieuw een wederdoop plaats, vanaf toen heette de band The Big Chris Barber Band. Uitgebreid met een aantal musici, was de band vanaf toen in staat werk van Duke Ellington uit de twintiger jaren ten tonele te voeren. Terwijl andere bandleden, waaronder topklarinettist Monty Sunshine kwamen en vertrokken, bleef Halcox en speelde de sterren van de hemel. Niet alleen op het podium of op de geluidsdrager, maar ook op film is de combinatie Barber/Halcox te bewonderen. Een mooie korte film, Momma Don't Allow, mede geregisseerd door Tony Richardson en Karel Reisz in 1955, laten de toen nog prille band zien, terwijl deze in een club vol swingers optreedt. Een heel ander filmmoment is de soundtrack bij de verfilming van een van de grote literaire klassiekers van de vijftiger jaren van de vorig eeuw: Look Back in Anger, geschreven door John Osborne.

We zien Richard Burton trompet spelen. Halcox had Burton geïnstrueerd hoe deze trompetspel moest mimen, terwijl Halcox de feitelijke muziek verzorgde. Ook vermeldenswaard een kort optreden uit 1962 door Halcox en een kleine groep in de filmklassieker The Loneliness of the Long Distance Runner. De aanhoudende populariteit zorgde voor meer optredens in Europa en elders. Het hectische leven van constant optreden en reizen eiste zijn tol en Halcox trok zich terug toen hij 78 werd. Hij bleef spelen met diverse groepen en nam van tijd tot tijd zijn plaats bij Chris Barber weer in. Bescheiden als hij was, benadrukte hij vaak het pure geluk dat hij zo´n mooie muzikale carrière had mogen doorlopen.

Bijdrage: C.P. Vincentius

zondag 10 februari 2013

Donald Byrd 1932 - 2013

Op 4 februari j.l overleed Donald Byrd, in de jaren vijftig en zestig een van de grootste trompettisten van de jazz. Eind zestiger jaren experimenteerde hij met de funk en de soul en wist het resultaat tot een commercieel succesvol product om te smeden. Donaldson Toussaint L'Ouverture Byrd II werd op 9 december 1932 in Detroit geboren en zette zijn eerste schreden op het jazzpad bij Lionel Hampton, nog voor hij de Cass Technical High School had voltooid. In 1947, op vijftienjarige leeftijd maakte hij zijn eerste plaatopnamen bij het Robert Barnes Sextette, met onder andere gitarist Joe Barnes. In zijn periode bij de United States Air Force speelde hij in een militaire band. Met hulp van een beurs voltooide hij zijn muzikale opleiding bij de Wayne State University en vervolgens bij de Manhattan School of Music.





















Nog tijdens zijn studie bij de Manhattan School trad hij toe tot Art Blakey's Jazz Messengers, ter vervanging van Clifford Brown. Vooral in de jaren 1955, 1956 was Byrd zeer nadrukkelijk aanwezig in formaties van Kenny Clarke, Horace Silver, Oscar Pettiford en in formaties onder eigen naam of als co-leader met Yusef Lateef. Twee legendarische albums uit die periode zijn: Kenny Clarke - Bohemia After Dark en Cannonball Adderley - Spontaneos Combustion, beide voor het Savoy-label. De stijl was hardbop. Hoogtepunten uit die periode zijn de Jazz Lab opnamen, in diverse formaties maar bijna steeds met als co-leader altsaxofonist Gigi Gryce. Toppers van deze combinaties zijn de LP's Don Byrd/Gigi Gryce-Jazz Lab, Gigi Gryce/Donald Byrd - New Formulas From The Jazz Lab en Gigi Gryce And The Jazz Lab Quintet. Met het toetreden tot The Jazz Messengers van Art Blakey belandde de vierentwintigjarige Byrd in de toenmalige top van de jazzwereld. Met de Jazz Messengers speelde hij tijdens opnamen met Rita Reys, mei 1956 en later nogmaals op juni 1956. December 1957 speelde hij bij de gelegenheidsbigband van Art Blakey en maakte aansluitend aan deze sessie op dezelfde datum opnamen met John Coltrane voor het Bethlehem-label. Aansluitend stonden Byrd en Coltrane opnieuw bij elkaar in de studio in januari 1958, ditmaal voor het Prestige-label. De samenwerking resulteerde in twee Coltraneklassiekers, Lush Life en Black Pearl. In november 1958 stonden Byrd en Art Blakey in de studio Manhattan Towers New York voor de opnamen van misschien wel de artistiek beste opnamen die Art Blakey ooit maakte, n.l. Art Blakey - Holiday For Skins, Vol. 1 en Art Blakey - Holiday For Skins, Vol. 2, samen met de percussionisten Philly Joe Jones,drums, Ray Barretto, Victor Gonzales, Julio Martinez, "Sabu" Martinez, Chonguito Vincente, bongos, congas, Fred Pagani, timbales, Andy Delannoy, maracas. Met Thelonious Monk trad Donald Byrd aan in diverse combinaties, met als hoogtepunt de Thelonious Monk Tentet opnamen in Town Hall, New York, februari 1959. In 1958 tekende Byrd een exclusief contract met Blue Note. Bovendien formeerde bij een band met baritonsaxofonist Pepper Adams, deze zou tot 1961 zijn vaste partner in de band blijven. Het resultaat van deze samenwerking was een serie excellente hardbop LP's, zoals Off to the Races (1958), Byrd in Hand (1959), At the Half Note Cafe, vol.1 en 2 1960).

In 1961 introduceerde Byrd met het album Free Form een jonge, nog onbekende pianist, Herbie Hancock. Na deze productieve jaren nam Donald Byrd een sabbatical. Hij trok naar Europa en studeerde bij de beroemde muzieklerares Nadia Boulanger. In 1963 was hij terug in Verenigde Staten en bracht A New Perspective op de markt, een album dat tegenwoordig als klassiek geldt, mede vanwege het gebruik van een gospelkoor in de arrangementen. Eén nummer, Cristo Redentor, werd redelijk populair. Daartussen door maakte Byrd opnamen met Pepper Adams baritonsax en Jackie McLean altsax, in steeds wisselende combinaties en steeds wisselende ritmesecties. Naast de lessen die hij gaf aan diverse conservatoria begon Byrd Afrikaanse muziek te studeren. De inspiratie hiervoor kwam deels van een beweging die het zelfbewustzijn van de Afro-Amerikanen stimuleerde. Ook keek Byrd naar de pogingen van Miles Davis om een jonger publiek te bereiken. Hij begon met elektronische instrumenten en funk en rock te experimenteren. De albums Fancy Free en Electric Byrd waren het antwoord van Byrd op In A Silent way en Bitches Brew van Miles Davis. Met Ethiopian Knights gingen de improvisaties verder, langer en klonken ze aggressiever.

Vanaf eind 1964 begon Donald Byrd opnamen met grote studio-orkesten te maken en verschoof het accent meer van de hardbop via de souljazz naar de commerciële soul. De samenwerking met de gebroeders Larry en Fonce Mizell voor het BlackByrd label, ondergebracht bij Blue Note, resulteerde in Black Byrd. Dit werd het voor Blue Note het best verkochte album ooit. Ook de daaropvolgende albums, Street Lady, Places and Spaces and Stepping into Tomorrow, werden grote commerciële successen. De meeste composities op deze albums waren van de hand van Larry Mizell. Daarnaast bleef Byrd optreden en opnemen met formaties waarin hardbop en postbop met enthousiasme werden beleden. Bij de opnames met tenorsaxofonist Dexter Gordon en altsaxofonist Sonny Red trad ook de nieuw generatie, met onder andere Chick Corea en Herbie Hancock, voor het voetlicht. In 1973 formeerde Donald Byrd The Blackbyrds een groep die zich op fusion jazz toe ging leggen. Hij recruteerde de musici uit zijn beste studenten. De groep scoorde diverse hits zoals Happy Music, Walking In Rhythm en Rock Creek Park.



Tijdens zijn docentschap aan de North Carolina Central University in de tachtiger jaren, formeerde hij de groep Donald Byrd & the 125th St NYC Band. Zij namen het album 'Love Byrd' op, een der laatste hoogtepunten in de jazzfunkperiode van Donald Byrd. Een van studenten, drummer en producer van dit album, was de later inmens populaire soulartiest Isaac Hayes. Op dit album stonden een aantal stukken met een hoog dansgehalte, waaronder Love has come around, dat als single werd uitgebracht in september 1981. Het werd in Engeland een grote discohit. Natuurlijk kennen de hiphopliefhebbers zijn werk door de talloze keren dat het werk uit de funkjazzperiode is 'geleend' door Large Professor, Organized Konfusion, Black Moon, The Pharcyde, Nas, Public Enemy, Madlib en Del Tha Funkee Homosapien, artiesten die van 'sampling' een tweede natuur hebben gemaakt. Maar voor de jazzfan is en blijft Donald Byrd een van de grootste trompettisten uit de hardbopperiode.

Bijdrage: C.P. Vincentius

Paul Tanner 1917 - 2013

Paul Tanner, trombonist en het laatste nog levende lid van de originele Glenn Miller Band, is dinsdag 5 februari 2013 overleden in Carlsbad, Californië. Tanner speelde bij het Glenn Miller orchestra van 19 38 tot 1942. In dat laatste jaar formeerde Glenn Miller zijn Army Band en haakte Tanner af. Tijdens zijn jaren bij Glenn Miller speelde hij mee op de originele opnamen van "String of Pearls" en "In the Mood". Gedurende zijn lange muzikale carrière werkte hij als studiomusicus en leraar. Zo trad hij op met Tex Beneke, Henry Mancini en Arturo Toscanini. Tanner was 23 jaar leraar en werkte mee bij het schrijven van diverse leerboeken Ook hield hij zich als uitvinder met electronische muziek bezig. Samen met uitvinder Bob Whitsell ontwikkelde hij een electronische versie van de theremin. Men speelde op de oorspronkelijke theremin door de handen vlak voor het instrument heen en weer te bewegen. Bij de versie van Tanner en Whitsell werd van een toetsenbord gebruik gemaakt. Later bepaalde deze theremin de sound van het nummer "Good Vibrations" van The Beach Boys. Paul Tanner speelde zijn electro-theremin tijdens die studio-opnames ook op de nummers "I Just Wasn't Made for These Times" en "Wild Honey." Later schonk Tanner zijn instrument aan een ziekenhuis, waar het werd gebruikt om het gehoor te meten. Een rijk leven eindigde, toen Tanner op 95-jarige leeftijd de ogen definitief sloot.

Bijdrage: C.P. Vincentius