woensdag 19 juni 2013

Sam Most 1930 - 2013

Met redelijke zekerheid mag worden gesteld, dat Sam Most een van de eerste jazzmusici was die soleerde op de dwarsfluit. Het was Leonard Feather die Most als zodanig kwalificeerde en hij vervolgde:'Hoewel zijn speelwijze niet correct is, gemeten aan de klassieke maatstaven, is Most een ritmisch betrokken vertolker wiens pittige en grappige stijl geen problemen heeft met akkoordwisselingen en altijd goed is voor een paar prachtige geconstrueerde solo's.' Het simultaan neuriën en noten spelen op de fluit is een speelwijze waarvan veel collega-fluitisten aangaven dat Most degene was die dit stijlelement introduceerde. In de vroege vijftiger jaren van de vorige eeuw onttwikkelde hij deze speelwijze, nadat hij ontdekte dat hij zo zachter kon spelen met zijn instrument. Zachter spelen was wenselijk in zijn appartement in New York tijdens het oefenen. 'Ik ontdekte die techniek, terwijl ik in de klerenkast stond, zo kon ik mijzelf horen zonder de buren te storen.' Ook voor het zingen van een goede scat was Sam Most altijd te vinden.


















Most werd op 16 december 1930 geboren in Atlantic City. Zijn ouders waren immigranten uit Litouwen en ondersteunden de muzikale interesse van hun kinderen. Naast Sam werd ook zijn broer Abe jazzmuzikant. Sam studeerde aan de The Manhattan School of Music voor hij in 1948 op achttienjarige leeftijd zijn loopbaan begon bij Tommy Dorsey. Sindsdien speelde hij bij qua stijl uiteenlopende artiesten en ensembles, zoals Donald Byrd, Herbie Mann en Charlie Mingus. Andere fluitisten zoals Hubert Laws, Roland Rahsaan Kirk en Yusef Lateef wezen naar Most als hun grote voorbeeld. Naast fluit speelde Most ook piano, saxofoon en klarinet. Eind veertiger, begin vijftiger wekten de snelle tempo´s en improvisaties van Charlie Parker en Dizzy Gillespie zijn interesse.

In 1953 werd zijn eerste plaatopname "Undercurrent Blues" uitgebracht. Door deze opname werd Sam Most, althans volgens de New Grove Dictionary of Jazz, de eerste bopfluitist. In 1954 werd Most door de lezers van Downbeat tot "New Star" gekozen. Most leidde zijn eigen bands en speelde met andere formaties, zoals bijvoorbeeld die van Buddy Rich in 1959. Na een wereldtoernee met Rich in 1961 door onder meer Zuid-Amerika vestigde hij zich in Los Angeles. Hij maakte meer dan twintig platen voor labels als Debut, Bethlehem, Vanguard en Xanadu en werkte als studiomuzikant bij opnames van Terry Gibbs, Red Norvo, Louie Bellson, Paul Quinichette, Clare Fisher, Tal Farlow, Ray Charles en Frank Sinatra.

In de laatste vijf jaar van zijn leven was Most weer actief als leider van zijn eigen formatie en maakte hij daarmee vanaf 2008 vier platen. Op 13 juni 2013 overleed Sam Most. Hij laat zijn tweelingzus Ruth Labensky, zijn broer Bernard en een jongere zuster Fran Tutshen achter. Zijn broer Abe overleed eerder in 2002.

Bijdrage C.P. Vincentius

zondag 2 juni 2013

Barbara Dennerlein, de Tornado van de Hammond B3

De grote opmars van het Hammond orgel in de jazz begon na de Tweede Wereldoorlog. Na de achteraf gezien toch wat kneuterige pogingen van Jackie Davis, met onder meer The Cuckoo Waltz, viel het instrument als snel in handen die meer gevoel voor swing hadden. Milt Buckner liet onder meer bij Lionel Hampton horen dat de Hammond uitstekend past in een band die op swing en jive is gericht. Wild Bill Davis bracht vrijwel dezelfde boodschap maar dan bij de bigband van Duke Ellington. Bill Doggett bediende via zijn orgel het rhythm and blues circuit. Het was Jimmy Smith die hardbop van midden jaren vijftig de heftig swingende en boppende vertolking gaf, welke als voorbeeld diende voor een keurig Beiers meisje uit München, Barbara Dennerlein.

















De kwalificatie, de Orgeltornado uit München, werd haar toegevoegd na haar eerste televisieoptreden in 1982 en heeft sindsdien als zichzelf bevestigende voorspelling gewerkt. Op dit moment is Barbara Dennerlein in Europa een van de grootsten op de Hammond B3 en kan zij de vergelijking met die andere Europese organiste, Rhoda Scott, glansrijk doorstaan. Barbara Dennerlein werd in 1964 in München geboren. Zij maakte op elfjarige leeftijd kennis met een eenvoudig electronisch orgel. Na anderhalf jaar lessen op een electronisch orgel met twee toetsenborden en baspedalen, studeerde zij op eigen kracht verder verder. Op vijftienjarige leeftijd speelde Barbara voor het eerst in een jazzclub. Ze formeerde haar eigen combo's, waarbij ze vaak beduidend jonger was dan haar medemusici. Vaak werkte ze samen met musici die qua uitvoering veel meer ervaring hadden.

Toen haar derde plaat in 1985 verscheen, de LP Bebab, was dat op haar eigen label. Voor de LP Take Off ontving zij in 1995 de 'Preis der deutschen Schallplattenkritik' Later datzelfde jaar volgde de Jazz Award voor diezelfde LP, vanwege het feit dat 'Take Off' enkele maanden achtereen nummer een stond als de best verkopende LP in Duitsland. Waar is dit succes, dat tot nu toe voortduurt, op terug te voeren? Allereerst op een intensieve en technisch briljante beheersing van de Hammond B3 en wat daar aan synthesizers en andere electronica aan te koppelen valt. Voorts is het de stijl, die in het begin te herleiden was naar die van Jimmy Smith, maar die intussen van hardbop naar postbop en de aanverwante freejazz tendeert. In de afgelopen jaren heeft Dennerlein getoerd, dan wel platen gemaakt, met avant-gardisten als Ray Anderson, Randy Brecker, Dennis Chambers, Roy Hargrove, Mitch Watkins, en Jeff 'Tain' Watts. Het zijn zonder uitzondering platen met een hoog swinghalte, vol technische hoogstandjes maar vooral een exposé van Dennerleins muzikaliteit en haar vermogen om te improviseren.

Naast platen voor haar eigen label maakte ze drie platen voor Enja Records en drie voor het roemruchte Verve-label. Op haar eerste LP verschenen onder meer vier eigen composities en ook op andere platen vormt eigen werk onderdeel van het repertoire. Haar composities variëren van relatief eenvoudig bluesgeoriënteerd werk tot romantische ballads of uptempo nummers met elementen uit latinjazz, hardbop, funk en swing. De snelle tempo's en de ritmische figuren die zij in haar improvisaties gebruikt, vereisen vaak razendsnel voetpedaalwerk. Zowel maatwisseling als harmonische wisselingen zijn kenmerkend voor haar spel.

Haar optredens zijn afwisselend, dan weer met een kwintet daar weer solo. Ze heeft verbindingen met MIDI ingebouwd in de voetpedalen, zowel als in de toetsen van de toetsenborden van haar orgel, zodat ze sythesizers en samplers direct aan haar spel kan toevoegen. Naast die meer technische verruiming van haar muzikale blikveld is er ook het kerkorgel dat sinds 1994 op haar aandacht mag rekenen. In 2002 nam ze de eerste van drie platen met kerkorgelmuziek op. Dat resulteerde in: Spiritual Movement No.1 in 2002, daarna Spiritual Movement No. 2 (live at Kaiser William Memorial Church in Berlin) in 2008 en Spiritual Movement No. 3 (live 2008 concert op het Rieger orgel van de Stadtpfarrkirche in Fehring, Austria, met gitarist Edi Köhldorfer) in 2012. Daarnaast nam ze deel aan projecten met symfonieorkesten, zoals Change Of Pace, met het Munich Philharmonic Orchestra uit 2007.

De Hammond B3 wordt sinds 1983 niet meer gebouwd. Elk instrument was het resultaat van handarbeid. De klank is bijzonder, toonvorming ontstaat op elektromagnetische wijze. Maar ook de klank van een pijporgel in een kerk of een concertzaal mag al bijna achttien jaar op de interesse van Dennerlein rekenen. Haar eigen Hammond is al meer dan vijftig jaar oud. Bij het transport wordt ze geholpen door een technicus. Ze is vertrouwd met de klassieke jazzpodia zoals de Blue Note in New York of Ronnie Scott’s Club in Londen, maar ook de internationale jazzfestivals zoals Montreal, Vancouver, Toronto, Edmonton, Victoria, Pori, Molde, Arhus, Kortrijk, Vitoria, Berlin, Frankfurt, Leverkusen en het North Sea Jazzfestival hebben Dennerlein op hun podia gehad. Intussen is ze bijna vijftig jaar en heeft ze haar plaats in de top van de internationale jazz gevonden.

Bijdrage: C.P. Vincentius

zaterdag 1 juni 2013

Francis Norman, jazzviool in Enschede

Op dinsdag 28 mei 2013 trad altviolist Francis Norman met de formatie van jazzdrummer Fabian Fischer in Forum La Cuccina in Enschede op. In een uur tijds liet Norman op overtuigende wijze zien en horen dat hij een van de grote nieuwe talenten op de jazzviool is.
















Francis Norman werd in Kiel geboren. op vijfjarige leeftijd kreeg hij zijn eerste vioollessen van Ingo Hirsekorn in Kiel. In 1998 vervolgde hij zijn studie aan de Musikschule Mönchengladbach. Daar kreeg hij onder meer les van Joachim Reiser, lid van de progressieve rock/popgroep Wallenstein, M. Kojama van de Niederrheinsche Symphoniker en Harald Stöpfgeshoff voor de altvioollessen. Daarnaast kreeg hij vanaf 2003 pianoles van jazzpianist Klaus Delvos. Ook heeft Norman zich bezig gehouden met de volgende instrumenten: gitaar, keyboards, drums, klarinet, saxofoon en fluit. Bovendien bestaan er enkele composities voor strijkorkest van zijn hand. Een daarvan haalde in 2007 de eerste prijs bij de wedstrijd 'Jugend jazzt' in Dortmund. Andere activiteiten van de afgelopen jaren zijn optredens in diverse TVshows en optredens in binnen -en buitenland. In 2008 werkte hij als violist mee aan de cd 'Treehouse' van de uit Düsseldorf afkomstige Stefan Honig. Later toerde hij met Stefan Honig zes weken door China, waarbij zij in twintig steden optraden. In 2011 was hij lid van het strijkkwartet op de cd 'Piano Dreams' van Martin Ermens. Sinds 2008 studeert Francis Norman aan het conservatorium te Arnhem. Dit jaar studeert hij op 12 juni af. In Enschede gaf Norman een proeve van zijn kunnen. Het klonk als een klok. Was de repertoirekeuze misschien een ietsje oubollig, de versies van Bluesette, The Girl from Ipenema, Have You Met Miss Jones en Billie's Bounce die het combo vertolkten, waren pure klasse. Hier werd jazz van niveau neergezet. Opvallend was de vrijheid waarmee Francis Norman musiceerde. Gestreken passages werden afgewisseld met pizzicato of met passages waarbij hij de altviool bespeelde alsof het een gitaar, dan wel een ukelele was. Deze combinatie mag, wat mij betreft het Enschedese vaker aandoen.

 Bijdrage: C.P. Vincentius