donderdag 26 juni 2014

Phil Mason 1940 - 2014

Jazz maakte van Phil Mason een globetrotter en een gevierd jazztrompettist in de New Orleansstijl . In de laatste vijfendertig jaar van zijn leven was hij bovendien boer en organisator van het jazzfestival op het Schotse eiland Bute, nabij The Firth of Clyde en Glasgow. Hij overleed 9 juni 2014. Zijn leven had een roerig begin. Phil Mason werd op 10 april 1940 in de Noord Londense wijk Kentish Town geboren, midden in de Blitzkrieg en de daarbij behorende bombardementen.  Algauw werden Phil en zijn zuster Sheila geëvacueerd naar Norfolk. Toen het oorlogstij keerde , kwam het gezin Mason terug in London en vestigde zich in de wijk Muswell Hill. Hoewel zijn leraren een intelligente jongen in hem zagen, was er de nodige bezorgdheid over zijn gebrek aan discipline. Hij kwam weliswaar door zijn examens voor de middelbare school, maar kreeg een slecht cijfer voor muziek. Volgens zijn muziekleraar miste hij 'het muzikale oor'.

Op zestienjarige leeftijd verliet Phil de school met als enige ambitie  grafdelver te worden, maar dat was een korte bevlieging. Hij studeerde verder aan het Trinity College in Dublin en koos voor moderne talen. Tijdens die jaren in Dublin groeide zijn interesse in de diverse kunsten; speciaal de Italiaanse opera had zijn. Tegelijkertijd had de folkgroep The Dubliners zijn warme belangstelling en konde klassieke muziek van de Ierse componist Sean O’Riada zijn waardering wegdragen. Op zijn zestiende verjaardag had hij een trompet gekregen en daarop oefende Phil op zijn studeer- annex slaapkamer in Townend Street, Dublin. Om overlast te vermijden, dempte hij het geluid met een grijze handdoek. Zijn eerste betaalde optreden was in de The Boot Inn, County Dublin, waar hij speelde met Richie McGowan, Barry Richardson en Martin Bennett. Na aftrek van hun uitgaven hielden ze aan het einde van de avond ieder 80 pence over. In 1966 trouwde Phil Mason zijn eerste vrouw, Kate. Hij werd huisvader.Voetbal speelde een grote rol in zijn leven. Hij had een reputatie als verdediger en werd uiteindelijk aanvoerder van zijn team,  Old Tollingtonians FC. Met dat team won hij de Old Boys Cup, een eer die veel later aan zijn oudste zoon Neil ten deel zou vallen.

Toen hij van zijn studie in Dublin terugkeerde zorgde een telefoontje ervoor dat Phil in Londen ging spelen Eric Silk's Southern Jazz band van 1966 tot 1969. Zijn loopbaan als beroeps kreeg pas echt zijn beslag,  toen Phil in 1970 toetrad tot Max Collie’s Rhythm Aces. Deze jazzband werd in 1966 geformeerd door John Maxwell Collie, die eerder The London City Stompers leidde. Max Collie’s Rhythm Aces toerde door Engeland en Europa, los van een serie min of meer reguliere optredens in diverse Londense etablissementen. Voor Phil was Londen  en de jazz het ene focuspunt van zijn activiteiten. Het andere focuspunt was de boerderij Shalunt Farm op het eiland Bute, tussen het dorp Port Bannatyne en de terminal van het veer bij Rhubodach.

Met Phil Mason’s New Orleans All-Stars startte hij in 1992 zijn eigen band, een band duidelijk in de traditie van Chris Barber, Max Collie en Terry Lightfoot. Deze formatie leverde onder meer een van de beste cd's van de Britse traditionele jazz: Phil Mason Spirituals & Gospels met Christine Tyrrell  als zangeres. Op het eiland Bute gold hij als een soortement van boer, een die sinds zijn vestiging met zijn tweede vrouw Hanne in 1979, veel tijd investeerde om door de boerengemeenschap op Bute geaccepteerd te worden.



Vanaf het begin van de tachtiger jaren vorig eeuw speelde Phil en een kleine groep vrienden regelmatig in de Struan Bar en het Grand Marine Hotel in Rothesay. Samen met zijn vrouw Hanne en een vriend van de familie, Bill Hassall  besloot Phil Mason de sprong te wagen. Ze organiseerden een jazzfestival in Bute. Na het begin met slechts drie bands, groeide het festival snel en daarmee ook de stroom van liefhebbers van traditionele jazzl. Het eiland Bute voer wel bij de stroom bezoekers die het jazzfestival opleverde. Acker Bilk, Kenny Ball, Chris Barber en The Temperance Seven; allemaal maaakten ze hun opwachting. Phil Mason maakte bij de organisatie en het boeken handig gebruik van zijn vele contacten in de jazzwereld.

Toen vier jaar geleden zijn gezondheid verstek liet gaat, werd Phil in 2010 gedwongen de organisatie over te dragen aan het team waarmee hij de laatste jaren het festival had geleid. Phil Mason werd 74 jaar en laat de wereld ruim vijftig LP's, twee vrouwen, zes kinderen en tien kleinkinderen na.

Bijdrage: C.P. Vincentius


zaterdag 21 juni 2014

Horace Silver 1928 - 2014

Op 18 juni 2014 overleed Horace Silver in zijn huis in New Rochelle, New York. Silver was in de jaren van de zestiger van de vorige eeuw een van de stijliconen van de hardbop. Hij was pianist, bandleider en verantwoordelijk voor een aantal aanstekelijk swingende composities, zoals 'The Preacher ' ,' Sister Sadie' en 'Filthy McNasty'. Hij werd beïnvloed door een verscheidenheid van stijlen, waaronder gospel, Afrikaanse muziek en Latijns- Amerikaanse muziek . Ook het genre souljazz mocht op zijn belangstelling rekenen. Horace Silver werd op 2 september 1928 geboren in Norwalk, Connecticut als Horace Ward Martin Tavares Silva. Silver's vader, John Tavares Silva, was afkomstig van het eiland Maio, een van de Kaapverdische Eilanden. Zijn moeder kwam uit New Canaan, Connecticut en was van Iers- Afrikaanse afkomst.



Silver begon zijn muzikale loopbaan als tenorsaxofonist, maar verkoos later de pianotoetsen. Zijn  spel op de tenorsaxofoon liet duidelijke invloeden van Lester Young horen. Zijn pianospel was geënt op dat van Bud Powell. Silver werd in 1950 ontdekt in de Sundown Club in Hartford, Connecticut. Stan Getz speelde als gastsolist in deze club en werd begeleid door het trio van Silver. De samenwerking beviel Stan Getz en hij ging met het trio op toernee. De samenwerking ging verder. Getz naam drie composities van Silver op en Silver maakte bovendien met Getz zijn platendebuut en wel met opnamen die als een van de  hoogtepunten in de loopbaan van Stan Getz worden beschouwd The Roost Recordings uit 1951.

In 1951 verhuisde Silver naar New York City, waar hij op maandagavonden werk vond in Birdland. De maandagavond was een avond waarop diverse musici samenkwamen om in informele sfeer met elkaar te jammen. Gedurende datzelfde jaar ontmoette Silver mensen van het Blue Note label. Hij kreeg werk als begeleider en kreeg een contract aangeboden, dat hem tot 1980 aan het label verbond. In New York formeerde hij de Jazz Messengers, een formatie die hij samen met drummer Art Blakey leidde. De samenwerking met Art Blakey resulteeerde in 1952 en 1953 in drie opnamesessies met zijn trio, Blakey op drums en Gene Ramey, Curly Russell of Percy Heath aan de contrabas. De samenwerling met Art Blakey duurde vier jaar. In die periode zagen twee LP's het licht die als hoogtepunten van de hardbopperiode mogen worden beschouwd: A Night at Birdland Vol. 1) met Russell, Clifford Brown en Lou Donaldson; At the Bohemia met Kenny Dorham en Hank Mobley. Daarnaast was Horace Silver in 1954 lid van de Miles Davis All Stars, tijdens de opname van de roemruchte  LP's  Walkin' en Bags Groove.

Vanaf 1956 maakte Silver exclusief opnamen voor het Blue Note label. hij werd geleidelijk aan een vertrouweling van platenbaas Alfred Lion, die hem meer invloed op de productie van de plaatopnamen toestond dan in die tijd te doen gebruikelijk was. Zo overtuigde Silver zijn platenbaas Lion om 'The Preacher' op te nemen. Lion vond het wat ouderwets klinken, maar Silver bleek gelijk te hebben; het nummer werd een van zijn hits. Gedurende zijn jaren bij Blue Note leverde Silver een wezenlijke bijdrage aan de hardbopstijl, waarbij elementen uit de rhythm-and-blues en de gospel met jazz werden gecombineerd. Zijn composities kenmerkten zich door verrassende tempowisselingen en een scala aan muzikale ideeën.  In zijn pianospel wisselde hij met groot gemak van agressief en percussief spel naar romantisch, soms binnen enkele maten. Het leverde hem veel fans op. Tegelijkertijd was zijn hamerend hanteren van herhaling 'funky' , lang voordat die term onder de hipsters in zwang kwam.

Naast de eigen muzikale bijdrage van Horace Silver waren het de nieuwe sterren in zijn formaties die mede het muzikale succes ervan bepaalden. Rijzende sterren als de saxofonisten Junior Cook en Hank Mobley, de trompettist Blue Mitchell en drummer Louis Hayes maakten hun opwachting. De belangrijkste LP's uit die periode zijn 'Horace Silver and the Jazz Messengers'uit 1955, '6 Pieces of Silver' uit 1956 en 'Blowin' the Blues Away' uit 1959, met 'Sister Sadie'. Silver liep er niet mee te koop dat hij het Portugees goed beheerste en evenmin bracht hij zijn muzikale opvoeding ter sprake. Zijn hit uit 1965 'Cape Verdean Blues' is de enige referentie aan zijn jeugd, waarin zijn vader en diens vrienden de traditionele Kaapverdiaanse morna en coladeira speelden. In het interview uit 1964 naar aanleiding van de LP 'Song for My Father'- ofwel Cantiga Para Meu Pai- merkte Silver op: Deze song is van mijn hand, maar hij heeft een smaak die mij aan mijn jeugd doet denken. Enige familieleden, waaronder mijn vader en mijn oom, hadden regelmatig partijtjes met drie of viersnarige instrumenten. Mijn vader speelde viool en gitaar. Het waren gezellige en informele sessiesMaar naast de Kaapverdische muziek beínvloedde ook de bossa nova de muziek van Silver. 'Ik was onder de indruk van het authentieke bossa novaritme. Niet het monotone tick-tick-tick, tick-tick, zoals het vaak wordt gedaan, maar het echte bossa nova gevoel. Dat heb ik in 'Song for My Father' proberen te laten doorklinken.'  Dat klonk door tot in de  zeventiger jaren toen de jazzachtige pop van de groep Steely Dan hun  grootste hit had met 'Rikki, Don't Lose That Number', afgeleid van het basriffje waarmee 'Song for My Father' opent. Silvers vroegste invloeden waren onder andere de boogie-woogie en de blues. Daarnaast had hij een open oor voor Art Tatum, Teddy Wilson, Nat “King” Cole, en Thelonious Monk. Hij citeerde graag werk van andere musici in zijn solo's en in zijn composities. Tijdens zijn samenwerking met Art Blakey maakte hij weinig opnames als de leider van een formatie. Dat veranderde na het vertrek van Blakey in 1956. Silver nam de Jazz Messengers over en gunde de plaats van Art Blakey aan de getalenteerde 18-jarige Louis Hayes.


In 1963 formeerde Silver een nieuwe groep met Joe Henderson op tenorsaxofoon en Carmell Jones op trompet. Toen Carmell Jones naar Europa vertrok, nam Woody Shaw diens plaats in en verving Tyrone Washington saxofonist Joe Henderson. Terwijl zijn populariteit groeide op basis van zijn vorige LP's wijzigde Silver zijn stijl geleidelijk richting funk en soul. Veel van zijn jazzfans haakten af bij LP's als 'The United States of Mind', waarop Silver vocaal te horen was. Ook de meer spiritueel ingestelde LP's konden de goedkeuring van veel fans niet wegdragen. 'Silver 'N Strings Play The Music of the Spheres ' uit 1979 is zo'n LP die slechts naar weinig jazzfans zijn weg vond. Silvers was de laatste musicus die bij Blue Note, voor het label in de zeventiger jaren als een nachtkaars dreigde uit te gaan. in 1981 formeerde hij zijn eigen platenlabels Silveto en Emerald. Beide labels was een kort leven beschoren. Eén LP uit die periode is zeker het vermelden waard: 'Continuity of Spirit' uit 1985 op het Silveto label, en wel vanwege de bijzondere orkestraties.

Uit de hele waslijst van Amerikaanse jazzgrootheden waarmee Horace Silver plaatopnamen heeft gemaaakt  zoals Miles Davis, Sonny Rollins, Stan Getz, Milt Jackson, Kenny Burrell, Jay Jay Johnson, Kenny Clarke, Donald Byrd mag één Nederlandse bijdrage niet onvermeld blijven:  The Cool Voice of Rita Reys (1956, Columbia). De muzikale invloed van Horace Silver is groot geweest. De pianisten Ramsey Lewis, Bobby Timmons en Les McCann zijn in hun stijl duidelijk schatplichtig aan Horace Silver. Maar de Blue Note-opnamen uit het midden van de vijftiger jaren, met of zonder Blakey, zijn nog steeds zeer het beluisteren waard.

Bijdrage: C.P. Vincentius


zaterdag 14 juni 2014

Jazz in 't Park - Gent

Jazz in 't Park (4-7 september), in het Gentse Zuidpark, gaat de 200ste geboorteverjaardag van Adolphe Sax vieren met "saxy nights". De organisatie brengt ook John Coltrane en Stan Getz opnieuw tot leven door authentieke concerten van beide jazzlegenden uit te zenden na de optredens.






Jazz in 't Park mikt zoals steeds op een breed publiek. "Al 21 jaar laten we een zo breed mogelijk publiek kennismaken met jazz in al zijn facetten, door gratis jazz aan te bieden, laagdrempelig maar daarom niet minder kwalitatief", zegt de Gentse schepen Annelies Storms (sp.a).
Het programma werd in themadagen opgesplitst. Donderdag is "fusiondag", met Skordatura Punkjazz Ensemble, Hijaz (wereldmuziek en jazz) en Electric Barbarian die nog meer genres en poëzie versmelt. "Fresh jazz" brengt op vrijdag nieuwe bands of projecten, met De Looze/Machtel/De Waele (jazz en comedie), het kwintet DelVitaGroup met interesse voor klassieke muziek en het vijfkoppig collectief STUFF rond de Gentse jazzdrummer Lander Gyselinck.
Zaterdag staan groepen met een grote bezetting op het podium, waaronder de bigband 't Mouvement, Rebirth Collective met crossovermuziek en Manngold de Cobre, een groep rond Peter Vermeersch en Rodrigo Fuentealba. Met "kittens and cats" speelt op zondag jong talent met gerenommeerde artiesten: zo deelt Nordmann het podium met Ivan Paduart & Tineke Postma, en het Bert Joris Quartet.
Behalve op zondag, wordt elke avond afgesloten met gefilmde authentieke jazzconcerten waarin respectievelijk tenorsaxofonist Coleman Hawkins, John Coltrane en Stan Getz centraal staan. 
Bron: Belga/DB

zondag 8 juni 2014

Herb Jeffries 1913 - 2014

Wanneer er één persoon is op wie het oude New Orleansnummer 'Didn't He Ramble 'van toepassing is, dan is het wel de zanger Herb Jeffries. Na zijn hit 'Flamingo' met de band van Duke Ellington, begin veertiger jaren vorige eeuw, kan geen jazzliefhebber meer om deze kleurrijke figuur heen. Als zanger verdiende hij zijn sporen bij de orkesten van Erskine Hawkins, Earl Hines en Blanche Calloway. Maar naast zijn zang was Herb Jeffries in de zwarte gemeenschap van de dertiger jaren bekend als 'The Bronze Buckaroo', ofwel de eerste zingende ster in cowboyfilms, waarin uitsluitend zwarte Amerikanen figureerden. 

Zijn loopbaan beslaat ruim zeventig jaar, waarin Herb Jeffries zowel film, televisie, nachtcluboptredens als plaatopnamen aan het Amerikaanse culturele erfdeel toevoegde. Toen de man op 25 mei 2014 in een ziekenhuis in West Hills, Californië zijn laatste adem uitblies, werd algemeen aangenomen dat hij ouder dan honderd jaar was. Zelf hield hij de mythe in stand 111 jaar te zijn, al zette zijn vriend en biograaf Raymond Strait daar de nodige vraagtekens bij. Herb Jeffries placht te overdrijven. Leonard Feather's Encyclopedia houdt het op 1916 en die datum lijkt mij bij benadering de meest betrouwbare.

Met zijn forse gestalte en kaken leek Jeffries de aangewezen figuur om de zwarte tegenhanger te worden voor de populariteit van blanke zingende cowboys als Gene Autry en Roy Rogers. In de tijd van de stomme film was het de zwarte acteur Bill Pickett die als rodeostar enige aandacht trok, maar een zwarte cowboyheld met Stetson en zwaaiende revolvers bracht een nieuw fenomeen tot leven.

Soms stond hij op de affiches als Herbert Jeffrey, van low budget films als: 'Harlem on the Prairie,' 'Rhythm Rodeo,' 'Two-Gun Man from Harlem,'  'The Bronze Buckaroo' en 'Harlem Rides the Range.'  In deze films speelde hij vaak de rol van Bob Blake, een man die zowel de zang als de rechtvaardigheid in ruime mate aandacht gaf. De achtergrondzangers in deze rolprenten waren The Four Blackbirds,  ook bekend als The Four Tones. Voor de bijrollen recruteerde Herb Jeffries zwarte acteurs die onder meer in Tarzan films hadden gefigureerd. Paardrijden had Herb Jeffries op de boerderij van zijn grootvader in Port Huron, Michigan geleerd. In zijn jeugd waren de films van Tom Mix en Buck Jones favoriet bij de jonge Herb. Jarenlang trachtte hij tevergeefs om sponsors te vinden voor cowboyfilms met zwarte acteurs. 
Uiteindelijk kreeg hij gehoor bij producer Jed Buell, de man die eind dertiger jaren furore maakte met een westernmusical  waarin uitsluitend dwergen speelden,'The Terror of Tiny Town' uit 1938. Buell aarzelde eerst, omdat  Herb Jeffries een te lichte huidskleur zou hebben. 'Ik vroeg hem, wat wil je, een vent die kan paardrijden, acteren en zingen of wil je alleen iemand die gekleurd is?' , vertelde Jeffries in 2003 aan de Washington Post. 'Toen maakte ik Buell attent op de film 'The Good Earth,’ waarin Paul Muni en Luise Rainer een rol als Chinese boeren vertolkten.' 'Ik daagde hem uit: Maak me zo zwart als je wilt en ik zal mijn hoed strak op mijn kop houden, zodat niemand mijn haar ziet. ' Uiteindelijk zei Buel ja tegen het plan. Geen van beiden had illusies omtrent de kwaliteit van de films. Vaak werd de plot van goedkope westerns met blanke acteurs gevolgd. Terugkijkend noemde Herb Jeffries deze films: “the first bunch of C-minus westerns,” hoewel ze in de tachtiger jaren bijdroegen aan een hernieuwde belangstelling voor zijn carrière. Als resultaat van die hernieuwde belangstelling zong hij in 1995 op de cd 'The Bronze Buckaroo (Rides Again)' waarin hij 'I'm a Happy Cowboy' en andere songs van zijn oude films opnieuw ten gehore bracht.

Over zijn achtergronden mocht Herb Jeffries graag fabuleren. Soms claimde hij dat hij in werkelijkheid Umberto Alejandro Balentino heette en dat zijn moeder Iers was en zijn vader Siciliaans en van gemengd ras.
In 2008 vertelde hij aan een journalist van The Atlanta Journal-Constitution over zijn afkomst. 'Ik heb iets van alle kleuren, net als iedereen. Wanneer we allemaal 10 of 15 generaties terug gaan, weten we niet meer wat we in ons dragen. Ik denk niet dat er een persoon die rond de Middellandse zee geboren is, die geen Moors bloed in zijn aderen heeft. Ik heb Siciliaans bloed en heb Moors bloed. Ik ben kleurling en ik hou ervan. Ik heb het recht om mijzelf te indentificeren zoals ik wil. Wanneer iemand het niet zint, wat menen ze dan te gaan doen? Mijn carrière kapotmaken?'
Jeffries heeft zijn vader nooit gekend. Hij werd opgevoed door zijn moeder. Deze runde een pension, waar veel zangers en andere mensen uit de theaterwereld woonden. Waarschijnlijk heeft deze introductie tot de showbusiness Jeffries geïnspireerd om in de nachtclubs en ballrooms van Detroit op te gaan treden. In 1933, voegde hij zich bij pianist Earl “Fatha” Hines en diens orkest tijdens de Chicago World’s Fair en bleef daarna twee jaar op toernee met de band.

Aansluitend zette hij alles op alles om carrière te maken in Hollywood, als acteur, schrijver en liedjesschrijver. In de cowboyfilms voerde hij de meeste stunts zelf uit. Toen de belangstelling voor zwarte cowboyfilms tanende was, ging hij terug naar Detroit. Hij meldde zich bij Duke Ellington in een Cadillac met stierenhoorns op de motorkap. Om zoveel visueel geweld kon Ellington niet heen en hij nodigde Jeffries uit om bij zijn band te zingen. Kort daarop, geaffichieerd als The Bronze Buckaroo, werd hij de eerste mannelijke vocalist bij de band.

Met de Ellington band nam hij in de vroege veertiger jaren diverse nummers op, zoals 'Flamingo,''Jump For Joy,' 'You, You Darling' en 'Brown Skin Gal in a Calico Gown.' In Los Angeles trad hij ook op in musical van Ellington over racisme 'Jump For Joy,' met Dorothy Dandridge. Filmacteur John Garfield raadde aan zijn huid donkerder te maken, omdat Jeffries te blank afstak tegen Dorothy Dandridge. 'Toen ik zwartgemaakt op het toneel verscheen,' vertelde Jeffries, 'werd Ellington furieus.' Waarop probeer je te lijken- Al Jolson? Ik probeerde het uit te leggen, maar Ellington stormde naar de producers. Ik heb me daarna nooit meer zwart gemaakt.'



Na zijn militaire diensttijd tijdens WOII, bleef Jeffries ongeveer tien jaar in Frankrijk en trad in diverse clubs op, zowel in Parijs als aan de Riviera. Daarna vestigde hij zich begin zestiger jaren in Los Angeles en bleef actief als zanger in clubs, op cruiseboten en in theaters, meestal met Ellington repertoire. Ook trad hij diverse malen op in televisiseries zoals  'Hawaii Five-O'  en 'The Virginian.'  Hij had zelfs in 1977 een bijrol in een echte western met Jack Palace  in 'Portrait of a Hitman'. De herontdekking van zijn oude films gedurende de tachtiger jaren deed de interesse in de rol van zwarte cowboys herleven. Hij werd als commentator aangezocht. In 2004 viel hem de eer te beurt te worden toegelaten tot de Hall of Great Western Performers in Oklahoma.



















Herb Jeffries was de Oosterse religies zeer toegenegen. Hij mediteerde elke ochtend. In zijn woelig aards bestaan consumeerde hij vijf huwelijken, waaronder een met de exotische danseres Tempest Storm, die hij in 1967 regisserde in de sexploitation horror film 'Mundo Depravados.'  Zelfs aan de Westkust van de Verenigde Staten viel de stilte op, die zijn verscheiden met zich bracht.


Bijdrage: C.P. Vincentius