zondag 16 december 2012

CD: Zandscape - same

Het begeleidend persbericht bij de cd van de groep Zandscape begint met de vraag: "So what's a Zandscape?"Twee antwoorden uit het woordenboek, de Dikke Zandveld in dit geval, volgen:

Zand-scape [Zand-skeyp] noun,
1. a musical landscape created by Mark Zandveld;
2. a group playing the creations mentioned above.

Goed om te weten, het geeft de muziek ook vast een plekje. Zandscape levert met de gelijknamige cd, uitgebracht op het Dot Time Records, een mooi album af. De groep opgericht door de Nederlandse bassist en componist Mark Zandveld bestaat verder uit de Zweeds/Nederlandse vibrafonist Gunnar Graafmans en de Uruguayanen Daniel 'Tato' de Moraes op gitaar en Enrique Firpi op drums. Het internationale gezelschap levert een prettig in het gehoor liggende album, de sound van de groep doet denken aan ECM albums van Steve Swallow of Gary Burton. De linernotes op de cd bevestigen dit: de eerste jazzervaringen van van Zandveld waren met artiesten van dit label zoals Pat Metheny en Chick Corea. Zandscape is een waardevolle aanvulling in het Nederlandse jazzlandschap.



Kijk voor meer informatie op: http://www.zandscape.com/


Mickey Baker 1925 - 2012


Op 27 november van dit jaar stierf gitarist Mickey Baker nabij Toulouse in Montastruc-la-Conseillère, Frankrijk op 87-jarige leeftijd. Baker, officieel MacHouston Baker en in de muziekwereld bekend als Mickey Baker of Mickey "Guitar" Baker was een Amerikaanse gitarist, die op 15 oktober 1925 in Louisville, Kentucky werd geboren. Algemeen geldt hij als de gitarist die samen met Bo Diddley, Chuck Berry en Ike Turner de brug sloeg tussen rhythm & blues en rock 'n roll. Zijn gitaarmethode, vervat in een serie boeken, The Complete Course in Jazz Guitar, is een must voor jazzgitaristen en wordt al vijftig jaar regelmatig herdrukt.



De jeugd van Mickey Baker was geplaveid met armoede. In 1936, op 11-jarige leeftijd, werd hij in een weeshuis geplaatst. Zijn alleenstaande moeder was alcoholiste en niet in staat haar kind op te voeden. Hij liep vaak weg en moest door de directie van het weeshuis vaak honderden kilometers verder worden opgehaald in St. Louis, New York City, Chicago of Pittsburgh. Uiteindelijk gaf het weeshuis de moed op en bleef Baker op 16-jarige leeftijd in New York als bordenwasser. Nadat hij een tijdlang had rondgehangen in de biljarthallen rond 26th Street hield hij op met regelmatig werk en werd hij een beroepsbiljarter. 

Toen hij 19 jaar werd, nam Baker zich voor om zijn leven te veranderen. Hij keerde terug naar het bordenwassen en was vastbesloten om jazzmusicus te worden. Zijn eerste keus was trompet, maar met zijn veertien dollar kon hij bij de pandjeshuizen alleen terecht voor een gitaar. Hij schreef zich in bij The New York School of Music, maar vond het lesprogramma te langzaam. Hij schreef zich uit en besloot zichzelf les te geven. Ook dat streven gaf hij al gauw op. Zes maanden later ontmoette hij op straat een gitarist die hem aanmoedigde weer te gaan spelen. In de daarop volgende jaren nam hij lessen bij diverse leraren. Zoals veel musici toentertijd probeerde hij zijn op instrument te spelen in de trant van Charlie Parker. Hij zette door.

Rond 1949 had Mickey Baker zijn eerste combo en enkele weinig betaalde optredens. Hij besloot naar de Westkust te verhuizen, maar kwam er achter dat het publiek aldaar weinig interesse in progressieve jazz had. Hij was letterlijk gestrand aan de westkust van Californië, toen hij een optreden van blues gitarist Pee Wee Crayton meemaakte. Baker vertelt het volgende van die ontmoeting:
" Ik vroeg Pee Wee, 'Je bedoelt dat jij geld verdient door die muziek op gitaar te spelen?' Want Pee Wee reed in een grote witte Eldorado en had een grote bus voor zijn begeleidingsband. Dus toen begon ik de snaren op een andere manier aan te pakken. Ik leed honger en blues spelen was op dat moment in elk geval een financiële verbetering voor me." Hij kreeg een aantal optredens in Richmond, California en verdiende hiermee voldoende om naar New York terug te keren. Terug aan de oostkust begon Mickey Baker met opnamen voor Savoy, King en het toen jonge label Atlantic Records. Hij deed sessiewerk bij The Drifters, Ray Charles, Ivory Joe Hunter, Ruth Brown, Big Joe Turner, Louis Jordan, Coleman Hawkins en diverse andere artiesten. Andere studiomusici gedurende deze sessies waren Paramour Crampton of Connie Kay(van het latere MJQ) op drums, Sam "The Man" Taylor op tenorsax en Lloyd Trotman op bas. Geïnspireerd door het succes van Les Paul & Mary Ford formeerde hij met zangeres Sylvia Robinson een duo, Mickey & Sylvia. Sylvia was een van zijn gitaarstudenten. In 1956 hadden de twee een hitsingle met "Love Is Strange".

Eind vijftiger jaren eindigden de gezamelijke optredens van het duo. Wel bleven de twee tot het midden van de zestiger jaren van tijd tot tijd platen maken.Rond deze tijd verhuisde Mickey Baker naar Frankrijk. Daar maakte hij enkele soloplaten en werkte met diverse franse rockgroepen -en artiesten, zoals Ronnie Bird en Chantal Goya. Ook maakte hij platen met Champion Jack Dupree en Memphis Slim en maakte korte toernees met passerende jazzmusici uit de Verenigde Staten zoals Coleman Hawkins.
In 1999 ontving Mickey Baker de Pioneer Award from the Rhythm and Blues Foundation en in 2003, stond hij als no.53 op de lijst van The Rolling Stone's "100 Greatest Guitarists of All Time".

Zijn gitaar is te horen op:
"Money Honey" - Clyde McPhatter with The Drifters, 1953
"(Mama) He Treats Your Daughter Mean" - Ruth Brown[2] 1953
"Shake, Rattle and Roll" - Big Joe Turner, 1954
"Need Your Love So Bad" - Little Willie John,[10] 1955
"Whole Lotta Shakin' Goin On" - Big Maybelle, 1955
"Love is Strange" - Mickey & Sylvia, 1956
"Caldonia", - Louis Jordan, 1956
"It's Gonna Work Out Fine" - Ike & Tina Turner, 1961

Platen onder eigen naam zijn:
Wildest Guitar (1959)
But Wild (1963)
Mississippi Delta Dues (1973)
Take A Look Inside (1973)
The Legendary Mickey Baker (1992)

Eind zeventiger jaren was er in Europa veel interesse voor de oudere, acoustische, vormen van de blues. Als een response op deze interesse bracht Baker in 1973 de plaat Mississippi Delta Dues uit, samen met gitarist Stefan Grossman. Voor de authentieke bluesnummers schreef Baker strijkersarrangememten, waarvan sommigen tamelijk concentioneel klonken, maar andere refereerden aan het werk van Krzysztof Penderecki en Iannis Xenakis. De plaat mocht niet op veel waardering rekenen. De kennis en inzicht die uit de arrangememten spraken had Baker opgedaan tijdens lessen in muziektheorie en compositie van niet minder dan Inannis Xenakis een van de grootste avant-garde componiosten van de tweede helft van de twintigste eeuw. Mickey Baker experimenteerde verder op de kennis die hij van deze lessen en die van andere leraren had opgedaan. Zo kwam hij ook uit op klassieke muziek. Hij schreef een serie fuga's voor gitaar en schreef een symfonische suite voor orkest en gitaar 'The Blues Suite.'

Een leven vol muzikale hoogtepunten? Nee, maar wel een rijkgeschakeerd muzikaal leven en inhoudelijke bijdragen op de achtergrond die zowel jazz, rhythm & blues als rock mede hebben bepaald. Voor de mens Mickey Baker is muziek datgene geweest dat hem in de loop der jaren ver boven zichzelf heeft uitgetild.

Bijdrage: C.P. Vincentius

zondag 9 december 2012

Dave Brubeck 1920 - 2012


Een dag voor zijn 92-ste verjaardag overleed op 5 december 2012 David Warren "Dave" Brubeck na een muzikaal rijk en ook succesvol leven als musicus. De piansit en componist Brubeck schreef jazzstandards die nu nog steeds bij veel jazzmusici tot het repertoire behoren, zoals 'In Your Own Sweet Way' en 'The Duke'. Zijn allergrootste hit, 'Take Five', kwam van altsaxofonist Paul Desmond, die jarenlang deel uit maakte van het  uiterst succesvol Dave Brubeck Quartet. De muzikale stijl van Dave Brubeck wisselt van zeer subtiel tot regelrecht bombastisch. Zijn muziek kenmerkt zich door het gebruik van ongebruikelijke maatsoorten, en contrasterende ritmes en toonsoorten. Zo komt 'Take Five', een nummer in 5/4 maat van het album 'Time Out', een van de allerbest verkochte jazzplaten ooit. Andere nummers uit die periode waren 'Pick Up Sticks' in 6/4 maat, 'Unsquare Dance' in 7/4,  'World's Fair' in 13/4 en 'Blue Rondo à la Turk' in 9/8 maat. Na de kwartetperiode werd Brubeck vooral een bekend en gerespecteerd  componist van symfonische muziek en religieuze muziek. 

Brubeck werd op 6 december 1920 in Concord, Californié geboren. Zijn moeder was een Engelse pianiste,  zijn vader een veeboer van gemengd Indiaanse-blanke afkomst. Omdat zijn twee oudere broers Henry en Howard al met een muzikale loopbaan bezig waren, wilde de jonge Dave Brubeck oorspronkelijk bij zijn vader in het bedrijf gaan werken. Hij kon indertijd geen muziek lezen, mede door problemen met zijn ogen. Meestentijds wist hij echter met zijn pianospel buitenstaanders om de tuin te leiden. Op de universiteit volgde hij colleges veeartsenij,  maar op dringend advies van een van zijn leraren ging hij lessen volgen aan de overkant van de straat, in het conservatorium. Enige tijd na zijn inschrijving als conservatoriumstudent werd Brubeck bijna ontslagen toen een van zijn professoren ontdekte dat Brubeck geen bladmuziek kon lezen. Enige andere docenten sprongen voor Brubeck in de bres met het argument dat zijn inzichten in contrapunt en harmonieleer dit gebrek voldoende compenseerden. Pas na de belofte dat hij nooit zelf pianoles zou geven, kreeg Brubeck de gelegenheid zijn studie te voltooien. Meteen na het afstuderen in 1942, ging Brubeck in militaire dienst en werd aan de andere zijde van de Atlantische Oceaan toegevoegd aan The Third Army van generaal George Patton. Hij hoefde niet mee te doen in de Slag om de Ardennen, toen hij zich meldde om als pianist op te treden in een show van het Rode Kruis. Daar bleek zijn optreden zo'n succes dat hij de opdracht kreeg een band te formeren. Aldus ontstond een van eerste bands binnen de Amerikaanse krijgsmacht waar rassenintegratie een feit werd, n.l. "The Wolfpack". Het was in deze oorlogssituatie dat Dave Brubeck in 1944 voor het eerst kennis maakte met de musicus die later jarenlang zijn muzikale kameraad zou zijn, Paul Desmond.

Na vier jaar militaire dienst keerde Brubeck in de collegebanken terug en studeerde bij Darius Milhaud, die hem aanmoedigde  om fuga en orkestratie te studeren, maar niet klassiek piano. In dezelfde periode kreeg hij les van Arnold Schönberg in een poging om meer van theorie en praktijk van het modernisme te leren. De samenwerking tussen Schönberg en Brubeck verliep echter niet goed, omdat Schönberg vond dat elke noot geheel en al verantwoord moest zijn, een uitgangspunt dat voor Brubeck niet acceptabel was. Na voltooiing van zijn studie bij Milhaud hielp Brubeck om het label Fantasy records op de been te brengen. Brubeck werkte toentertijd met een octet en met een trio (met o.a. Cal Tjader). Vanwege het nogal experimentele karakter van hun muziek kregen beide groepen weinig kansen om op te treden en al evenmin kans om platen te maken. Het trio werd vaak op het podium uitgebreid met Paul Desmond. In 1949 werd Jack Sheedy, eigenaar van het Coronetlabel uit San Francisco overgehaald om de eerste opnamen van het octet te maken. Het trio volgde later. Het Coronet label van Sheedy had eerder opnamen gemaakt van dixielandorkestjes. Maar helaas bleek Sheedy niet in staat zijn rekeningen  te betalen. Hij overhandigde de masters van de opnamen aan het firma die de platen perste, the Circle Record Company, eigendom van Max en Sol Weiss. Deze gebroeders Weiss veranderden hun firmanaam al spoedig in Fantasy Records. Een gelukkige gooi, want zij zagen zich geconfronteerd met een snel toenemende vraag naar de platen van Dave Brubeck. Hun winst was navenant.  

Na een zwemincident dat Brubeck bijna fataal werd, was Brubeck enige maanden uit de running. Tijdens zijn herstel organiseerde hij  in 1951 The Dave Brubeck Quartet met Desmond op altsaxofoon. Het kwartet resideerde een lange periode in de nachtclub  The Black Hawk in San Francisco en mocht zich in een groeiende populariteit verheugen tijdens tournees langs diverse universiteiten. Er volgden platen met titels als 'Jazz at Oberlin' uit 1953, 'Jazz at the College of the Pacific' uit 1953 en Brubeck's debuut voor Columbia Records, 'Jazz Goes to College' uit 1954. Indertijd, toen Brubeck zijn contract met Fantasy Records tekende, meende hij dat hij een groot aandeel in deze platenmaatschappij had en fungeerde hij als een soort public relationmanager voor  de firma. Hij moedigde de gebroeders Weiss aan om andere jazzartiesten onder contract te nemen, zoals Gerry Mulligan, Chet Baker en Red Norvo. Uiteindelijk kwam Brubeck erachter dat hij slechts een beperkt aandeel in zijn eigen opnamen had. Hij tekende daarom maar al te graag bij Columbia Records. In 1954 viel hem de eer te beurt om op de omslag van Time Magazine te verschijnen. Hij was de tweede jazzmusicus welke deze eer te beurt viel. Eerder was Louis Armstrong hem in 1949 voor gegaan.Voor Brubeck zelf hoefde het niet zo. Hij had het meer op zijn plaats gevonden, wanneer Duke Ellington de eer had gekregen. Bovendien was hij ervan overtuigd, dat hij als blanke de voorkeur boven een zwarte artiest van groter kaliber had gekregen.

De eerste bassisten in het kwartet waren Ron Crotty, Bob Bates,en de broer van  Bob, Norman Bates; Lloyd Davis en Joe Dodge waren de slagwerker tot Brubeck in 1956 Joe Morello aantrok. Morello, die eerder bij de pianiste Marian McPartland had gewerkt, maakte door zijn technische beheersing de ritmische experimenten mogelijk die Brubeck voor ogen had. In 1958 werd bassist Eugene Wright ssn het kwartet toegevoegd, eerst voor de US State Department Tour door Europa en Azië, later om vast lid te worden in 1959. Het Dave Brubeck Quartet in zijn meest populaire bezetting was compleet.
Zelfs toen, in de latere vijftiger en begin zestiger jaren, was Brubeck genoodzaakt om optredens af te zeggen omdat managers van clubs het idee van een geïntegreerde band op hun podia onacceptabel vonden. Ook heeft Brubeck in  die periode een televisieoptreden afgezegd, toen hem ter ore kwam dat men de gekleurde Eugene Wright gedurende het optreden van het kwartet buiten beeld zou houden.
In 1959 nam het Dave Brubeck Quartet  'Time Out' op. Columbia Records was enthousiast over het muzikale gehalte, maar aarzelde de plaat uit te brengen.S. Neil Fujita was verantwoordelijk voor de coverillustratie en de plaat bevatte eigen composities, waarvan er bijna geen in een gebruikelijk maatsoort stond. Zowel de 9/8, 5/4, 3/4, als de 6/4 maat waren mede beìnvloed door Europese en Aziatische volksmuziek waarmee het kwartet tijdens voornoemde US State Department Tour kennismaakte. Ondanks of misschien dankzij de ongebruikelijke maatsoorten zorgde dit album al snel voor platinum.'Time Out' werd gevolgd door diverse platen met een gelijke aanpak, zoals 'Time Further Out', 'Miro Reflections' uit 1961, met meer 5/4, 6/4 en 9/8 maatsoorten, plus de eerste poging met 7/4maat ; 'Countdown: Time in Outer Space' (opgedragen aan John Glenn) uit 1962,met onder meer 11/4 en meer 7/4 maatsoorten; 'Time Changes uit' 1963, met veel 3/4 , 13/4 en  10/4 maatsoorten en de plaat 'Time In' (1966). De meeeste platen waren ook bekend door het gebruik van werk van moderne  schilders. Zo sierde werk van Joan Miró de hoes van 'Time Further Out', Franz Kline die van 'Time in Outer Space', het werk van Sam Francis de hoes van 'Time Changes'. Hoogtepunt voor de groep was hun live LP 'at the Carnegie Hall', door diverse critici beschreven als het beste concert van Dave Brubeck ooit.



Samen met zijn echtgenote Iola schtreef Brubeck in de zestiger jaren een musical 'The Real Ambassadors', gedeeltelijk gebaseerd op ervaringen van het kwartet gedurende diverse internationale tournees. De plaat met de soundtrack van deze musical werd in 1961 opgenomen met onder meer Louis Armstrong, Lambert, Hendricks & Ross,en Carmen McRae. De musical werd in 1962 publiekelijk ten doop gehouden op het Monterey Jazz Festival. Op de top van hun populariteit produceerde het kwartet vier langspeelplaten per jaar. Los van de 'College' en de 'Time' platen bracht het kwartet ook platen op de markt met composities, gebaseerd op de reizen en de muzikale invloeden die ze elders opdeden. 'Jazz Impressions of the USA', uit 1956, was tevens het debuut van Joe Morello in de groep. Daarna volgden 'Jazz Impressions of Eurasia'  uit 1958, 'Jazz Impressions of Japan' uit 1964 en 'Jazz Impressions of New York uit' 1964. Het zijn minder bekende platen maar ze zijn stuk voor stuk mooie voorbeelden van het studiowerk van het kwartet. Onder meer leverden deze albums  Brubeck standards als "Summer Song," "Brandenburg Gate," "Koto Song," and "Theme From Mr. Broadway." Dit thema schreef Brubeck voor Craig Stevens CBS drama series. Het vormde net als andere muziek voor deze series de basis voor het "New York" album.). In 1961 trad Dave Brubeck op in enige scenes van de British Jazz/Beat film All Night Long, met sterren als Patrick McGoohan en Richard Attenborough. Brubeck speelt vooral zichzelf en zijn pianospel werd in close-up opgenomen. Brubeck speelt "It's a Raggy Waltz" van de 'Time Further Out' plaat and speelt een kort duet met Charlie Mingus in 'Non-Sectarian Blues.'

Naast alle andere muzikale activiteiten was Brubeck begin zestiger jaren programmadirecteur van het radiostatioIn WJZZ-FM  (thans WEZN). Hij kreeg zijn idee voor een puur en alleen jazzradiostation samen met zijn vriend en buurman John E. Metts, een van de eerste Afrikaanse Amerikanen die senior manager van een radiostation was. Het laatste studioalbum voor Columbia Records door het kwartet in de Brubeck/ Desmond/Wright/Morello samenstelling was 'Anything Goes' uit 1966, met Cole Porter songs. Enkele concerten volgden en de zwanenzang van het kwartet in deze samenstelling was 'The Last Time We Saw Paris' uit 1967. Brubeck bleef de kwartetformule trouw; hij tourde onder meer met Gerry Mulligan en zijn vroegere kompaan uit het octet klarinettist Bill Smith. Zijn totale productie aan jazzalbums is gigantisch. Naast het vertrouwde kwartet maakte hij memorabele albums met de trombonisten Jay an Kai, 'Brubeck and Rushing'  uit 1960 met zanger Jimmy Rushing, 'Tonight Only with the Dave Brubeck Quartet'  uit 1961, met zangeres Carmen McRae, 'Take Five Live' uit 1965, Live, opnieuw met Carmen McRae, 'Marian McPartland's Piano Jazz with Guest Dave Brubeck'  opgenomen 1984, uitgebracht 1993, 'Brubeck/ Mulligan/ Cincinnati' uit 1970,' Two Generations of Brubeck'  uit 1973 (met twee van zijn getalenteerde kinderen) en Brubeck & Desmond uit 1975: 'The Duets'. Daarnaast schreef Dave Brubeck, oratoria, missen en symfoniëen. Veel werk op hoog niveau; het had alles te maken met een niet aflatende creativiteit en nieuwsgierigheid en zeker ook met discipline, zonder alcohol -of drugsproblemen. 

Pas op hoge leeftijd kwamen voor Brubeck de gezondheidsproblemen en kreeg hij een pacemaker. Maar ook dat verhinderde hem niet om tot zijn 91-ste levensjaar door te gaan met optreden en platen maken.

Bijdrage: C.P. Vincentius

maandag 3 december 2012

CD: Tom Beek - Bliss

Beek laat saxofoon spreken: zacht, gevoelig, soms fel. Magisch!


Jan Garbarek, daar moest ik aan denken toen ik het prachtige vierde album van de Nederlandse saxofonist Tom Beek de eerste keer beluisterde. Niet zo vreemd want het idee voor de 'Bliss' is geboren na het luisteren van een cd van de Noor Garbarek. 'Bliss' is een album waarop Beek zijn saxofoon laat spreken zacht, gevoelig en soms fel. Het merendeel van de stukken is opgenomen in de - zoals Beek het zelf omschrijft - prachtige akoestiek van de oud-katholieke St. Vituskerk in Hilversum. In de studio van Paul Pouwer in Amsterdam nam de saxofonist ook vier stukken op met Mike Boddé aan de vleugel. Ook bassist Udo Pannekeet, die het album produceerde, heeft een gastrol als begeleider. Naast een aantal eigen composities laat Beek zijn veelzijdigheid horen met werk van Piazolla, Boddé, Chopin, Zawinul en Harry Bannink. JazzContrasten sprak met Tom Beek:

Tom, je derde album studio album ga je grotendeels solo, daarnaast zijn er een aantal stukken met begeleiding van piano en basgitaar. Jan Garbarek was de inspirator, volgens mij voel je je goed thuis in deze setting?

Gek genoeg is solo saxofoon spelen iets wat ik al vanaf het begin doe, net als elke andere instrumentalist trouwens. Dus ik ben, hoe moeilijk het ook is, heel vertrouwd met de setting. De band met mijn instrument is heel persoonlijk. Daar speelt de omgeving uiteindelijk ook een rol in. Spelen in zo'n mooie kerk is echt heel bijzonder. Trouwens, solo spelen voor een publiek of een album is een heel ander verhaal dan een beetje voor je uit spelen.

Samenspelen met andere muzikanten doe ik heel vaak, vind ik nog steeds geweldig en daar ga ik dan ook volop mee door. Solo saxofoon spelen diende zicht echter aan als een thema in mijn eigen muzikale ontwikkeling. Toen besloot ik het centraal te stellen als thema voor mijn album.

Overigens vond ik een album met alleen solostukken wel wat pittig, dus ik ben gaan zoeken naar een passende aanvulling. Mike, Udo, Tim en Marcel (JC: op laatste nummer Water - reprise), zijn geweldige muzikanten met wie ik regelmatig samen speel, dus het lag voor de hand om hen te vragen.

Goed en dan heb je besloten je cd op te nemen in een kerk, waar begin je dan met zoeken, of had je de St. Vituskerk al direct in het vizier?

Ik was naar een kerk op zoek om daar een concert te geven. Met dat idee was ik al een tijdje bezig. Een vriendin vertelde me over deze kerk waar regelmatig concerten worden gehouden. Het was in één keer raak. Ik vind de sfeer licht en prettig. De akoestiek is erg inspirerend. Tijdens het concert (JC: de tweede in de serie 'C'est le Tom qui fait la musique') begin september kreeg ik de kans om het uit te proberen samen met Mike en het publiek. Dat is zo goed bevallen dat ik de kerk heb gehuurd voor mijn opname. 

Het album is een feit, maar toch wacht je tot 14 april volgend jaar om het werk live te spelen. Wil je het je nog meer eigen maken, of kunnen we nog toevoegingen verwachten? Bijvoorbeeld in de begeleiding?

Traditioneel wordt tijdens een cd-presentatie de muziek gepresenteerd. Deze keer wil ik dat graag omdraaien. Het lijkt me fijn voor het publiek om een beetje aan de muziek te wennen. Het concert in april is de Utrechtse kerk Vredenburg Leeuwenbergh, een prachtige locatie voor een bijzonder optreden. Daarnaast zullen er zeker andere concerten worden georganiseerd met de muziek van Bliss. Ik vind het fijn om het momentum van het album te spreiden. Anders is het net alsof het na één dag niet meer interessant is.

Copyright © Edwin van Nuil
Bij de composities van andere muzikanten/componisten die je speelt geen composities van saxofonisten, een bewuste keus?

Dat had ik zelf niet eens in de gaten; het is niet bewust. Met 'Body and soul' verwijs ik wel naar een traditie van tenorsaxofonisten. Het nummer is 1939 op legendarische wijze vertolkt door Coleman Hawkins, één van de iconen van tenorsaxofoon. Sindsdien is het een goede gewoonte onder saxofonisten om het als eerbetoon te spelen. We zijn immers op een bepaalde manier schatplichtig aan helden zoals hij en Lester Young. Bovendien is het een prachtig stuk dat ik al sinds mijn 19e graag speel. Op een bepaald moment gaat zo'n stuk rijpen.


Je hebt een druk jaar achter de rug, veel optredens in Nederland, waaronder op het North Sea Jazz Festival, je was in Japan voor optredens, en je ziet ook nog kans een nieuw album op te nemen! Krijg je juist door veel optreden inspiratie voor nieuw werk, of was het gewoon zoals het liep?

Het is inderdaad erg druk geweest, ik voel me een bevoorrecht mens dat ik gevraagd word. Ik probeer zoveel mogelijk dingen te doen waar ik me persoonlijk heel sterk bij betrokken en gecommitteerd voel. Het zijn vaak creatieve, eigen dingen. Al mijn bandjes spelen eigen repertoire. 

Er is geen muzikant die zonder opdrachtgevers kan. Ook voor mij is dat een wisselwerking. Creativiteit moet ook worden gevoed en dat wordt lastig als je niet kunt investeren. Bij eigen concerten en albums ben ik zelf opdrachtgever. Daarin kan ik bepaalde dingen kwijt. Ik doe dat dankzij het feit dat ik werk. 
Ook in creatief opzicht is het een wisselwerking. Door opdrachten te doen word ik uitgedaagd en leer ik nog elke dag veel bij. Ik werk met veel verschillende, inspirerende mensen, dus het komt regelmatig voor dat ik ineens iets kan gebruiken voor mijn eigen ontwikkeling. Dat kan van alles zijn. Daardoor is er inspiratie in overvloed. Ik zie het als een grote, kolkende grabbelton vol ideeën waarbij ik alleen gebruik wat zich op dat moment aandient. Zo beweeg en improviseer ik ook.

Nationaal gezien heb je inmiddels wel met alle grote (jazz)muzikanten samengewerkt, ook internationaal heb je al samengewerkt met een aantal grote namen. Als je nu een internationale supergroep featuring Tom Beek zou mogen samenstellen, hoe zou die er uitzien?

Wat een leuke vraag. Ik zou wel met een aantal mensen uit New York willen samenwerken, met zoals Larry Goldings, Peter Bernstein, Bill Stewart, John Scofield. Daarmee voel ik me verwant. Ik kan nog wel even doorgaan: Lyle Mays, Dave Douglas, Bill Frisell. Maar ik heb het gevoel dat die jongens een flink maatje te groot voor me zijn. Noem het naief, maar ik heb het idee dat ik net ben begonnen.

Tot slot wat mogen we in 2013 van je verwachten?

Ik werk door aan nieuw werk. Ook mijn bandjes gaan verder, je kunt een aantal nieuwe releases verwachten. Ook mijn freelance werk gaat verder. Alles bij elkaar weet je nooit van te voren wat het je gaat brengen. Dat vind ik ook fijn. Gericht zijn op de toekomst, maar ook weer niet te ver. Ik geniet ervan zo'n mooi en creatief werk te hebben voor een dankbaar publiek. Ik heb de mooiste baan van de wereld.


Het nieuwe album van Tom Beek is vanaf 7 december verkrijgbaar op cd en als download.

Tom Beek is live te zien op:
4 december 2012: Tom Beek Trio in De Badcuyp, Amsterdam.
14 april 2013: concert Tom Beek & Mike Boddé in Vredenburg Leeuwenbergh.

Kijk voor meer optredens op www.tombeek.nl

zaterdag 13 oktober 2012

Sunday Jazz in Sliedrecht


Gedurende zes seizoenen heeft Bigband Blast!, in samenwerking met de theatergroep van De Lockhorst en Stichting Sliedrecht & Cultuur, het jazz-minnend publiek op een groot aantal prachtige concerten getrakteerd. Seizoen zes sloot op 15 april in stijl af met de 82-jarige flügelhorn-virtuoos Ack van Rooyen. En het goede nieuws is: Sunday Jazz gaat door! Zondag 14 oktober start het 7e seizoen met als gast muzikant saxofonist Simon Rigter.


De aanvang van het concert op zondag 14 oktober a.s. is om 15.00u in Theater De Lockhorst, Sportlaan 1 te Sliedrecht.